| HYPERICUM 1 | januari 2003 |
J.W. Bielen
In 2001 toonde Bertus Hegeman (Natuurmonumenten) mij twee rozetten van Valkruid (Arnica montana), die door hem in 2000 reeds waren ontdekt. Een exemplaar bloeide toen. De groeiplaats betrof een voormalig weiland, waarvan de teeltlaag enige jaren eerder was verwijderd.
Hoewel de soort vroeger van deze locatie bekend was (NJN, 1959), is het zeer onwaarschijnlijk dat sprake is van jarenlang ongezien overleven ervan in het bemeste weiland. Het zaad van Valkruid is nauwelijks een jaar kiemkrachtig (Oberdorfer 2001; Bokeloh 1992). Het vormt dus geen zaadvoorraad. Ook een spontane vestiging lijkt onmogelijk. Verspreiding van het zaad van de op een tweetal kilometer afstand gelegen enige andere groeiplaats in Twente lijkt uitgesloten. Het zaad verspreidt zich doorgaans tot slechts circa 10 meter van de ouderplant. Bovendien heeft die andere populatie al jaren niet gebloeid. Omdat het hier om slechts een gering aantal planten gaat die zeer dicht bij elkaar staan, is het zelfs de vraag of vruchtbaar zaad gevormd zou kunnen worden (Luiten 1997; Ouborg 1988).
Wij denken dat hier sprake is van afkeurenswaardige en zinloze opzettelijke aanplant. Valkruid kan bij sommige tuincentra worden gekocht!
Luiten, S.H. & J.C.M. den Nijs (1997). Over de toekomst van Valkruid (Arnica montana) in Nederland: wat is er aan de hand in kleine populaties? Gorteria 23 (1): 25-27.
NJN (1959). Verslag in het kader van het werk dat de NJN verricht t.b.v. het Staatsbosbeheer. Terrein: Spoorweginsnijding bij de Lutte.
Ouborg, N.J. (1988). Genetische verarming: De problematiek van het beheer van kleine populaties. De Levende Natuur 89: (1): 7-13.