| HYPERICUM 1 | januari 2003 |
M.A.P. Horsthuis & M. Zonderwijk
In het najaar van 2001 is Watercrassula ontdekt in twee nieuw gegraven kikkerpoelen in de omgeving van het Twentse dorp Lattrop. Naast o.a. Parelvederkruid (Myriophyllum aquaticum), Watersla (Pistia stratiotes) en Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides) heeft zich opnieuw een 'aquarium-adventief' in het oosten van Nederland gevestigd (Meyer 2002; Venema 2001; Baas & Duistermaat 1999).
In dit artikel wordt een beschrijving van Crassula helmsii gegeven. Verder wordt ingegaan op haar aanwezigheid in Europa in het algemeen, en Twente in het bijzonder. De beheerservaringen uit het buitenland worden kort samengevat en tot slot wordt aangegeven hoe met deze nieuwkomer zou moeten worden omgegaan.
Watercrassula is vermoedelijk in 1914 voor het eerst in Engeland ingevoerd als sier- en zuurstofplant voor de vijver. In 1927 werd deze soort, die daar "Swamp Stonecrop" genoemd wordt, via de reguliere handel verder verspreid. In de zeventiger jaren van de vorige eeuw is Watercrassula zich pas echt in de open wateren van Zuid Engeland gaan verspreiden. In 1996 waren er 305 groeiplaatsen in Engeland bekend, in 2000 waren dat er al 400. In de Engelse vakliteratuur wordt deze verspreiding als ernstiger gezien dan die van de Smalle en Brede waterpest (Elodea nuttallii en E. canadensis) een eeuw daarvoor (Watson 2000; Slembrouck & Molenaar 2001).
In 1981 werd Watercrassula voor het eerst in forse hoeveelheden aangetroffen op het Europese vasteland, in een viskwekerij in de Duitse Pfalz. Daarna werd de soort o.a. in 1988 aangetroffen op twee ver uit elkaar gelegen plaatsen in het noorden, in Heikendorf bij Kiel (kustmeer) en in Waltrop Brockenscheid. Vanaf dat moment zijn vanuit Duitsland steeds meer meldingen bekend. Het is vreemd dat Watercrassula al niet eerder in Oost-Nederland gevonden is, gezien het feit dat de soort aan de Duits-Nederlandse grens bij Osnabrück gevonden is.
In Vlaanderen werd de soort voor het eerst ontdekt in 1982, in vijvers van het Meerdaelwoud. In 1996 en 1998 werd de tweede groeiplaats gevonden in de omgeving van Embem/Lier en Hoboken. In 1993 werd de soort ook in Wallonië gezien, in de omgeving van Gaurin-Ramecroix (Slembrouck & Molenaar 2001).
In Nederland is Watercrassula in 1995 voor het eerst ontdekt op de oevers het Padvindersven in Oost-Brabant (Brouwer & Den Hartog 1996). In 2001 werd in een kleine kikkerpoel een groeiplaats van Watercrassula bij Lattrop gevonden. De ontdekking werd gedaan door E. Broos, medewerkster van het Waterschap Regge & Dinkel. In het najaar van 2002 werd op aanwijzing van een terreineigenaar in een nieuw gegraven grote poel in de directe omgeving een tweede groeiplaats van Watercrassula ontdekt.
Op dit moment zijn 12 kilometerhokken in Nederland bekend waar de soort waargenomen is, waarbij zich het merendeel van de groeiplaatsen in Noord-Brabant bevindt (bron: FlorBase-2G, FLORON).
Uit meetnetgegevens van het waterschap is gebleken dat het water in de poel in 2001 een extreem hoge fosfaatgehalte had, vermoedelijk veroorzaakt door een sterk vermestende invloed vanuit de omliggende akkers (Waterschap Regge & Dinkel 2001).
In deze kikkerpoel heeft Watercrassula zich in het najaar van 2001 ontwikkeld in de oostelijke oeverzone met een totaal oppervlak van ruim 1 m2. Slechts enkele stengels vertoonden knoppen en bloemen. In het najaar van 2002 had de soort zich zijwaarts uitgebreid over de oevers. Daarnaast was ze het water ingegroeid tot een diepte van 30 cm; het oppervlak van de groeiplaats was tot ca. 3 m2 toegenomen.
De grote poel die op een paar honderd meter afstand van de kleine poel ligt, is in dezelfde tijd gegraven als de kleine poel. Deze is echter onbeschaduwd. Ook de bodem en waterdiepte wijken af. De grote poel heeft een fijnzandig substraat en is in de zomerperiode maar 35 cm diep.
De eigenaar had na de aanleg wel wat waterplanten uit een naburige tuinvijver overgebracht, maar daar zat volgens hem geen Watercrassula bij. Het lijkt er echter op dat Watercrassula met de andere vijverplanten is overgebracht. Rondom de grote poel heeft Watercrassula een dichte mat ontwikkeld in de vlakke oeverzone, waarbinnen het waterpeil fluctueert. In het diepere water is de mat 15-30 cm dik, op de drogere oever ongeveer 3 cm. De kleur van de mat is in het najaar roodbruin; slechts de delen die meer permanent onder water liggen zijn frisgroen. De Crassula-zone is ruim 2 m breed en omvat driekwart van de omtrek van de poel. De geschatte oppervlakte met een vrijwel volledige bedekking van de soort bedraagt ongeveer 15 2. In de periodiek droogvallende oeverzone is veel bloei en vruchtvorming waargenomen. Of de vruchten ook kiemkrachtig zaad leveren is niet bekend.
De tabel geeft een beeld van de vegetatie waarin Watercrassula zich ontwikkeld heeft. Alle opnamen hebben betrekking op de kleine poel. De opnamen 1, 2 en 3 illustreren de gradiënt van de kleine kikkerpoel. De opnamen 4 en 5 geven een overzicht van alle soorten die zich respectievelijk op de oever en in het water van deze poel hebben gevestigd. Daarbij kan het merendeel van de soorten tot de pioniers gerekend worden die een aquatisch/amfibische levenswijze hebben. Dit komt overeen met de soorten die in het Padvindersven werden aangetroffen: Moerasstruisgras (Agrostis canina), Moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum), Gestreepte witbol (Holcus lanatus), Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Knolrus (Juncus bulbosus) en Pitrus (Juncus effusus) (Brouwer & Den Hartog 1996).
Vanuit het Engelse Worcestershire wordt melding gemaakt van negatieve effecten van Watercrassula ten opzichte van amfibieën als de Kamsalamander (Triturus cristatus) en Gewone salamander (Triturus vulgaris). De ondoordringbare Crassula-matten laten geen ruimte voor de plantensoorten die normaliter door salamanders gebruikt worden om eieren af te zetten, o.a. Egelboterbloem (Ranunculus flammula) en Mannagras (Glyceria fluitans). De stijve Crassula-bladen lijken op hun beurt ongeschikt om door de salamanders te worden dubbelgevouwen om er eitjes tussen te bevestigen. Daarnaast laat Watercrassula te weinig open ruimte in het water voor het baltsgedrag van deze dieren (Watson 2000).
In Engeland, waar de soort nu een groot probleem vormt, wordt gewaarschuwd om de soort niet mechanisch te verwijderen. Elk losgeraakt stukje plant zou zich immers weer gemakkelijk kunnen verspreiden. Om de soort te vernietigen wordt geadviseerd de groeiplaats met zwart plastic af te dekken of door middel van vloeibaar stikstof te vernietigen. De beste en enig afdoende oplossing zou het gebruik van herbiciden zijn (Anonymus 2002). Een stap die naar onze mening te rigoureus is.
Bij de ingreep tot het verwijderen van de beide populaties speelt de bescherming van bijzondere vegetaties in omliggende natuurreservaten een belangrijke rol. De twee groeiplaatsen van Lattrop liggen gevaarlijk dichtbij de bijzondere Oeverkruid-vegetaties van de Bergvennen en Stroothuizen (op resp. 2 en 10 kilometer afstand). Bovendien bestaan er vergevorderde plannen voor de ontwikkeling van nieuwe natte natuurterreinen in Ottershagen, op nog geen 3 kilometer afstand van de poelen.
Een bijkomend probleem is dat deze soort reeds jaren bij vele tuincentra en aquariumhandelaren in Nederland, Duitsland en België verkocht wordt, zij het onder de naam Tillaea recurva of Crassula recurva. Potentiële verspreidingsbronnen zijn in overmaat aanwezig. Dat Watercrassula bij haar kolonisatie van nieuwe gebieden bepaald geen fijnproever is, maakt het allemaal nog lastiger. Er is echter ook een lichtpuntje; op het vasteland van Europa is het aantal groeiplaatsen in het buitengebied nog relatief beperkt. Het is zaak dat deze nieuwkomer door alert beheer onder de duim gehouden kan worden. Daarvoor willen we een aantal suggesties doen.
Er moeten maatregelen getroffen worden op de bekende groeiplaatsen waarbij de soort in goed overleg met de eigenaar vernietigd moet worden. Dit moet voorzichtig gebeuren met enig gevoel voor de aanwezige flora en fauna. Daarbij is (weg)maaien van de soort uit den boze! Daarnaast moet men alert zijn op nieuwe groeiplaatsen.
Er moet aandacht besteed worden aan de soort via de media waarbij tuincentra, vis-, vijver- en aquariumverenigingen worden gewaarschuwd voor de negatieve effecten van uitzetten van deze en andere exoten in sloten en vijvers.
Op nationaal of Europees niveau moet voorkomen worden dat deze soort te koop wordt aangeboden en op deze manier haar invasie in Nederland kan voortzetten.
Tenslotte moet voorkomen worden dat floristen, vegetatiekundigen, soortenjagers en beheerders met hun geprofileerde laarzen een verspreidingsfactor worden, want we hebben er een nieuwe soort bij in Oost-Nederland, maar of we daar nu zo blij mee moeten zijn...!
Baas, W.J. & L. Duistermaat (1999). De opmars van Grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides L. f.) in Nederland, 1996-1998. Gorteria 25 (4): 77-82.
Briggs, S.V. (1981). Freshwater wetlands. In: Australian vegetation. Edit. R.H. Groves: 333-360.
Brouwer, E. & C. den Hartog (1996). Crassula helmsii (Kirk) Cockayne, een adventief op droogvallende, zandige oevers. Gorteria 22: 149-152.
Leach, J. & H .Dawson (1999). Crassula helmsii: an Unwelcome Invader. Website CEH.
Küpper, F., H. Küpper & M. Spiller (1996). Eine aggresive Wasserpflanze aus Australien und Neuseeland. Floristische Rundbriefe. Zeitschrift fur Floristische Geobotanik, Populations-ekologie und Systematik. Jrg. 30 (1): 24-29.
Meijer, S. (2002). Parelvederkruid, een nieuwe plaag in het watermilieu. H2O (1): 11.
Slembrouck, J. & E. Molenaar (2002). Crassula helmsii (Kirk) Cockayne, een nieuwe bedreiging voor onze waterflora? Website floristengroep Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud (FON).
Venema, P. (2001). Snelle uitbreiding van Watersla (Pistia stratiotes L.) rond Meppel. Gorteria 27 (6): 133-135.
Waterschap Regge & Dinkel (2002). Voorlopig verslag Meetnet 2001.
Watson, W. (2002). Amphibians & Crassula helmsii. Artikel Froglog, gelijknamige website, Worcester, UK.