| HYPERICUM 1 | januari 2003 |
J.W. Bielen, P.F. Stolwijk & O.G. Zijlstra
14 deelnemers: Roel Douwes, Jaap Groot, René van Moorsel, Willem Stouthamer, Aart Swolfs, Wim Vuik, Peter Spee, Jacques Bielen, Jo Schunselaar, Otto Zijlstra, Piet Vogelzang, Jelle Hofstra, Johan Kers, Serge Vogelzang.
Zie J.W. Bielen (2003)
8 deelnemers: Jacques Bielen, Jelle Hofstra, Ed Romijn, Gerard Jager, Gerrit Meutstege, Jan Meutstege, Peter Spee, Pieter Stolwijk.
Op deze excursie nog vroeg in het seizoen bezocht een groep onder leiding van Pieter een
gevarieerd km-hok (248-462) ten zuiden van Haaksbergen, wat tot het strepen van 189 taxa
heeft geleid. Heel bijzondere soorten waren er niet bij. Zeker aardig zijn Kleine
watereppe (Berula erecta), Bittere veldkers (Cardamine amara), aan
de Schipbeek, Veelkleurig vergeet-mij-nietje (Myosotis discolor), Kleine
bevernel (Pimpinella saxifraga) en Heggenwikke (Vicia sepium) op het
talud van de Schipbeek, Dicht havikskruid (Hieracium vulgatum) in een houtwal,
terwijl een vondst van Kompassla (Lactuca serriola) bewijst dat deze soort
langzaam maar onstuitbaar ook Twente aan het binnendringen is. Vergeleken met de periode
1977-1988 zijn er in dit km-hok nu minder soorten bekend; toen 221, nu (FLORON-periode) 203
taxa.
De andere groep onder leiding van Jacques bekeek km-hok 247-461. Ook hier werden Kleine
watereppe en Bittere veldkers aangetroffen. Verder nog Grote ratelaar
(Rhinanthus angustifolius). Hier bleef de teller steken op 154 taxa. Het totaal voor
de FLORON-periode is 173 soorten tegenover 182 uit de periode tot 1988.
's Middags hebben we met een iets uitgedunde groep nog km-hok 247-462 onderzocht. Ook hier
weer Kleine watereppe en Bittere veldkers. In totaal werden hier 126 taxa
waargenomen. Nu hier 172 taxa bekend; in de vorige periode 214.
De indruk bestaat dat de oevers van de Schipbeek ernstig verruigd en daarmee verarmd zijn
vergeleken met 1980, toen Pieter Stolwijk de hele Schipbeek heeft geïnventariseerd. In 1982
of daaromtrent is de hele boel op de schop gegaan, wat onder andere tot schade heeft geleid
aan de vegetatie van droge graslanden met soorten als Grote tijm (Thymus
pulegioides), nu niet aangetroffen, Kleine bevernel, Grasklokje
(Campanula rotundifolia). Ook Muskuskruid (Adoxa moschatellina),
destijds te vinden op vochtige, beschaduwde oevers van de beek, is klaarblijkelijk uit dat
biotoop verdwenen. Kruldistel (Carduus crispus) daarentegen, destijds
voornamelijk hier en aan de Dinkel voorkomend, heeft zich nu over heel Twente verspreid en
kan niet langer een interessante soort genoemd worden. (Weeda
1979; Stolwijk 1982)
11 deelnemers: Peter Spee, Pieter Stolwijk, Jo Schunselaar, Serge en Piet Vogelzang, Jan Zwienenberg, Jelle Hofstra, Jaap Groot, Gerrit Welgraven, Corry Abbink, Otto Zijlstra.
Twee kilometerhokken bij Den Ham werden geïnventariseerd: 228-499 (Meulenhorst) door een
groep onder leiding van Otto en 228-498 (Noord-Meer) onder Pieters leiding.
228-499, een gevarieerd hok met bos, hei, grasland en sloten leverde 223 soorten op. Aardige
soorten in of langs het water waren Brede waterpest (Elodea canadensis), -
beslist zeldzaam geworden bij ons -, en Pijptorkruid (Oenanthe fistulosa).
Langs bospaadjes werd Muursla (Mycelis muralis) en massaal Hengel
(Melampyrum pratense) aangetroffen; daarnaast voor deze streek bijzondere
zeggesoorten: Geelgroene, Ster- en Elzenzegge (Carex oederi
subsp. oedocarpa, C. echinata en C. elongata). Verder op een vergrast
heideveldje één Jeneverbes (Juniperus communis), wat Stekelbrem
(Genista anglica) en Kruipwilg (Salix repens).
Hok 228-498, minder gevarieerd, was goed voor 160 soorten. Naaldwaterbies
(Eleocharis acicularis) en Liggend hertshooi (Hypericum humifusum) waren
wel de aardigste soorten. Verder onder meer de niet meer alledaagse grassen
Beemdlangbloem (Festuca pratensis) en Kamgras (Cynosurus
cristatus). En ook hier langs de straatweg Hertshoornweegbree (Plantago
coronopus).
Na de middag werd door een kleinere groep de ijsbaan van Vroomshoop onderzocht, op zoek naar
onder andere de van hier gemelde Addertong (Ophioglossum vulgatum). Deze werd
niet teruggevonden, wel Moerasvaren (Thelypteris palustris),
Koningsvaren (Osmunda regalis) en Moeraswederik (Lysimachia
thyrsiflora). Nieuw, in de bosrand, was Tweetoppig struisgras (Agrostis
castellana), moeiteloos er uit gevist door Corry Abbink.
6 deelnemers: Jacques Bielen, Piet Vogelzang, Wytze Boersma, Willem Hofstra, Henk Roelofs, Otto Zijlstra.
De excursie voerde ons door het 'Hollands Schwarzwald' (233-478), een droog bosgebied ten zuiden van Rijssen. Voor deze streek kenmerkende soorten als Bosaardbei (Fragaria vesca) en Valse salie (Teucrium scorodonia) vonden we langs paadjes. Ook zagen we plaatselijk Tandjesgras (Danthonia decumbens) en Zandzegge (Carex arenaria). In een klein Jeneverbes-heitje troffen we vrij veel Klein warkruid (Cuscuta epithymum) aan en een paar pollen Borstelgras (Nardus stricta). Bij de steenfabriek streepten we Keizerskaars (Verbascum phlomoides), Hazepootje (Trifolium arvense) en Brede lathyrus (Lathyrus latifolius). Op de terugweg tenslotte, langs de weg naar Markelo, Straatliefdegras (Eragrostis pilosa), Stomp kweldergras (Puccinellia distans subsp. distans) en Viltganzerik (Potentilla argentea). In totaal 173 taxa.
Bielen, J.W. (2003). De excursie naar Ahaus. HYPERICUM 1
Stolwijk, P.F. (1982). Nogmaals Carduus crispus L. in Twente. Gorteria 11: 42-43.
Weeda, E.J. (1979). Carduus crispus L., neofiet in Twente. Gorteria 9: 365-367.