HYPERICUM 1 januari 2003

Aspecten van de Twentse flora



Over Hertshooi (Hypericum) in Twente

J.W. Bielen


Abstract

A survey is given of the nine taxa of St John's-wort (Hypericum) occuring in Twente (prov. of Overijssel, the Netherlands), including Des Etangs's St John's-wort (Hypericum x desetangsii) and the one occurence on the continent of Irish St John's-wort (H. canadense).

Van het plantengeslacht Hertshooi komen er in Twente negen taxa voor. Slechts twee van de Nederlandse soorten ontbreken bij ons, namelijk Ruig hertshooi (Hypericum hirsutum L.) en Gevlekt hertshooi (H. maculatum Crantz). Van deze negen staan er vier op de Rode Lijst en worden er twee op de streeplijst met een "a" als aandachtsoort aangegeven.

In de legenda van de hierna gepresenteerde verspreidingskaartjes, die voornamelijk gebaseerd zijn op opgaven van de waarnemers van FWT-FLORON, wordt vermeld in hoeveel km-hokken een soort is aangetroffen. In de tekst vermelden we bij de RL-soorten hoeveel locaties er door middel van RL-formulieren zijn doorgegeven.


Sint-Janskruid (Hypericum perforatum L.) Kaart

Uit het kaartje is af te lezen dat deze soort zeer algemeen is in ons district. Zij wordt bij ons ook niet bedreigd met achteruitgang. Dat is niet verbazingwekkend, want het is een plant die houdt van droge, tamelijk voedselrijke en enigszins verruigde vegetaties op braakliggende terreinen en andere overhoekjes, bijvoorbeeld langs wegen en spoorlijnen. Sint-Janskruid kan verschijnen uit een lang kiemkrachtige zaadvoorraad (Oberdorfer 2001).


Kantig hertshooi (Hypericum dubium Leers) Kaart

Deze soort is in ons district algemeen. Zij lijkt sterk op de vorige en kan met deze verward worden. Toch kan zij meestal (maar zie hieronder Frans hertshooi) zelfs vegetatief goed herkend worden met de kenmerken genoemd in Heukels' (Meijden 1996). Zij lijkt ook zeer sterk op het bij ons niet voorkomende Gevlekt hertshooi (H. maculatum Crantz). Volgens sommige flora's zijn H. dubium [= H. maculatum Crantz subsp. obtusiusculum (Tourlet) Hayek] en H. maculatum s.s. zelfs zo verwant dat zij tot ondersoorten gemaakt zijn van H. maculatum s.l. Kantig hertshooi is iets kieskeuriger dan Sint-Janskruid. Het groeit op iets vochtiger en minder stikstofrijke plaatsen langs bosranden, sloten, greppels en kanalen. Zij komt ook af en toe te voorschijn op plagplaatsen. Op het verspreidingskaartje is ook enigszins te zien dat zij veengebieden mijdt. Door zandverplaatsingen bij wegenaanleg en woningbouw kan de soort zich in toenemende mate ook in deze gebieden vestigen. Bij natuurontwikkelingsprojecten verschijnt zij nog wel eens, maar niet massaal, uit de zaadvoorraad. Deze is lang houdbaar bij H. maculatum s.l. (Oberdorfer 2001).


Frans hertshooi (Hypericum x desetangsii Lamotte) Kaart

Het vermoeden bestaat dat deze kruising (H. perforatum x H. dubium) algemener is dan het kaartje doet voorkomen (zie ook Kaplan 1997). Het taxon is in Nederland tot 1980 uitsluitend gemeld in 1904 en 1906 van Rotterdam. De overige opgaven zijn als onbetrouwbaar of onverifieerbaar geschrapt voor de Atlas (Mennema & al. 1980). De vier opgaven op ons kaartje zijn alle afkomstig van Corry Abbink. Haar vondsten zijn gestaafd en vastgelegd met herbariummateriaal. De vindster in Twente is misschien de enige die oog heeft voor deze kruising en de moeite neemt er met zorg naar te kijken. De kruising levert een vruchtbare plant en dat veroorzaakt toch wel enige determinatieproblemen. Deze eerste generatie hybriden kan op haar beurt terugkruisen met een van de ouders. Dat kan een heel spectrum van hybriden opleveren met kenmerken tussen die van Sint-Janskruid en Kantig hertshooi in. Het maakt misschien dat we niet altijd in staat zijn in het veld een naam aan een bepaald exemplaar te geven. Ieder van ons heeft wel eens meegemaakt dat een plant Kantig hertshooi lijkt, maar toch niet zo overtuigend bijvoorbeeld het tweede paar smalle lijsten te zien geeft. Het zal duidelijk zijn dat exemplaren die in dit spectrum genetisch dicht bij een der ouders staan, moeilijk als bastaard herkend kunnen worden. In Engeland meent men de kruising tussen Sint-Janskruid en Gevlekt hertshooi ook een keer ontdekt te hebben (Robson 1990). Omdat dat in Engeland al een uitzondering is en in onze omgeving Gevlekt hertshooi niet voorkomt, nemen we aan dat deze hybride hier niet voorkomt.

Hoewel we dus te maken hebben met een complex, nog niet volledig opgelost probleem (Haeupler 2000), geven we, ook om dit artikel een beetje compleet te maken, een beschrijving van de kenmerken van de hybride. Deze beschrijving, in de vorm van een tabel, is gebaseerd op de vermelde literatuur (vooral Robson 1990 en Weber 1995) en op de in Twente verzamelde exemplaren. Voorlopig zullen we een vondst van dit taxon alleen kunnen opnemen in ons bestand, wanneer er goed materiaal is verzameld. Omdat de duidelijkste kenmerken zich aan de kelkbladen bevinden, is het belangrijk deze in het herbarium goed zichtbaar op te nemen. Dat kan door afzonderlijke bloemen met uitgespreide kelk en kroon, en de opening naar beneden, op het herbariumvel te leggen.


Kenmerken van Hypericum dubium, H. x desetangsii, H. perforatum
Hypericum dubium Hypericum x desetangsii Hypericum perforatum
Stengel Vierkant met twee sterke en twee zwakke lijsten Meestal slechts twee lijsten, maar ook wel met twee zwakke en twee sterke lijsten Rond met twee lijsten
Kroonbladen Met voornamelijk lange, zwarte strepen en weinige klierpunten Intermediair Met zwarte stippen en weinige, korte strepen
Kelkbladen Breed eivormig met afgeronde en zwak getande top Eivormig tot smal, met een toegespitste, meestal zwak getande top Smal met een spitse of toegespitste, ongetande top
Bladschijf Met geen of zeer weinige, doorzichtige klierpunten Met weinige tot vrij talrijke, doorzichtige klierpunten Met veel doorzichtige klierpunten

Kelkbladen van Hypericum dubium, H. x desetangsii, H. perforatum
kelkbladen
H. dubium H. x desetangsii (2x) H. perforatum
Tekening: Otto Zijlstra


Gevleugeld hertshooi (Hypericum tetrapterum Fries) Kaart

Gevleugeld hertshooi is minder algemeen in Twente en vertoont hier een wat grillige verspreiding. Zo ontbreekt ze vrijwel op de Oldenzaalse stuwwal, maar is wel aanwezig in veel hokken op de stuwwal van Ootmarsum. Zij staat op tamelijk voedselrijke grond, op nog nattere plaatsen dan Kantig hertshooi. We kunnen haar vinden langs kanalen, sloten en beken. Ook slaat zij dikwijls op bij ontgronding ten behoeve van natuurontwikkelingsprojecten in beekdalen. Mogelijk is ook hier sprake van een zaadvoorraad (Oberdorfer 2001: 'wisselend'). Aanwijzingen voor een recente voor- of achteruitgang van de soort in Twente heb ik niet.


Liggend hertshooi (Hypericum humifusum L.) Kaart

Deze eenjarig pionier is in Twente niet algemeen. Zij groeit op open, onbeschaduwde tot licht beschaduwde, vochtige tot natte plaatsen. We hebben haar gevonden langs fietspaadjes en zandwegen, in kort gemaaide gazons, in tuinen op kale grond, op akkerranden en op kale greppelkanten. Dit soort plekken zijn er blijkbaar nog zoveel in het landschap dat de soort zich aardig kon handhaven. Toch is er op langere termijn bezien wel sprake van enige achteruitgang. Zij verschijnt dikwijls, en soms opvallend massaal, aan de oevers van geschoonde vennen en na afplaggen van weilanden. Door deze natuurontwikkeling is er de laatste jaren zelfs sprake van een kleine toename van het aantal groeiplaatsen. Blijkbaar kan de zaadvoorraad van Liggend hertshooi zeer lang kiemkrachtig blijven (Zie ook Oberdorfer 2001: 'zaadvoorraad langlevend, meer dan 100 jaar'). Bij het opnieuw sluiten van de vegetatie krijgt de soort het weer moeilijk.


Moerashertshooi (Hypericum elodes L.) Kaart

Deze kruipende overblijvende plant is nu vrij zeldzaam in Twente. Het aantal RL-formulieren bedraagt 25. De soort is landelijk zeer sterk achteruitgegaan, vooral in Drenthe, waar zij nu nagenoeg ontbreekt (WFD, 1999). Ook in Twente is zij, sinds Blijdestein begin vorige eeuw zijn onderzoek verrichtte, gigantisch achteruit gegaan. Hij vond de soort in het door hem bezochte deel van Twente, een zeer beperkt deel van ons huidige district, in 75 kwartier-hokken. Wij hebben in ons hele district tot nu slechts 46 km-hokken waaruit zij is gemeld. Aanvankelijk was de achteruitgang vooral te wijten aan ontginning van haar groeiplaatsen. Na het stoppen van de ontginningen ging het verlies aan groeiplaatsen door tengevolge van verdroging, verzuring en vermesting. Ook in Niedersachsen, waar de soort de noord- en oostgrens van haar verspreidingsgebied bereikt, is zij zeer sterk achteruitgegaan (Garve 1994). Door het vrijwel verdwijnen van deze soort uit Drenthe en Niedersachsen is de noordgrens van het verspreidingsgebied in Twente en de Graafschap Bentheim komen te liggen.

Gelukkig neemt het aantal groeiplaatsen van Moerashertshooi tegenwoordig bij ons iets toe door de natuurontwikkelingsprojecten. Zij komt als pionier te voorschijn bij het schonen van venige heidevennen op voedsel- en basenarme zandige bodem Eenmaal hebben we haar gezien bij een ontgronding in een beekdal. Blijkbaar is er dikwijls nog een zaadvoorraad aanwezig. Oberdorfer (2001) vermeldt bij de soort evenwel niets over de levensduur van het zaad. Sommige van deze natte terreinen moeten na het afplaggen goed worden onderhouden, omdat zij snel dicht kunnen groeien door massale opslag van Zwarte els (Alnus glutinosa) en Berken (Betula spec.).


Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum L.) Kaart

Dit sierlijke plantje is in Twente zeer zeldzaam geworden. Het aantal RL-formulieren bedraagt 5. In ons bestand is de soort nog slechts van vier uurhokken bekend. In de Atlas deel 2 waren dat er na 1950 nog vijf. Van de groeiplaats bij de Puntbeek, indertijd ook befaamd om Karwijselie (Selinum carvifolia) en Knollathyrus (Lathyrus linifolius) en beschreven door Westhoff (1949), is zij verdwenen samen met de twee andere soorten. Ook op de groeiplaatsen Reuver, Loabult en Austieberg, genoemd door Luiken & al. (1957), hebben we de soort nooit kunnen vinden. Gaan we nog verder terug, naar de verspreidingskaartjes die Blijdestein samenstelde, dan zien we nog vier kwartierhokken bij Glanerbrug waar de soort voorkwam. Fraai hertshooi komt nu behalve op één bedreigd en dichtgroeiend heideterreintje bij Glanerbrug (het laatst waargenomen in 1989, geen RL-formulier!) alleen voor op Lonnekerberg en Paasberg, op en langs bos- en heidepaadjes op lemige grond. Op de Paasberg zijn de planten nogal sterk beschaduwd, waardoor zij minder zijn ontwikkeld en lang niet allemaal tot bloei komen. De soort komt in de Graafschap Bentheim uitsluitend voor in het Bentheimerwoud (Lenski 1990), waar ik haar heb gevonden langs paden met een brede en daardoor vrij zonnige berm. De soort werd vroeger begunstigd door het gebruikelijke hakhoutbeheer (Luiken 1957). Zij gaat bij ons nog steeds achteruit door verruiging (bramen) en beschaduwing van bosranden bij het achterwege blijven van zoombeheer en verschralend bermbeheer. Ook een dikke strooisellaag is een grote belemmering voor deze soort om zich te handhaven. Zij groeit daarom soms op lemige boswallen, waar geen strooiselopeenhoping plaatsvindt. In de weinige km-hokken waar zij voorkomt, gaat het om een gering aantal plaatsen met meestal weinig planten. In de vijf beschreven populaties zijn dat respectievelijk 70, 3, 6, 9 en 7 planten. Willen we Fraai hertshooi voor onze streek behouden, dan zal er meer gericht beheerd moeten worden. Dat begint bij een goede registratie van de groeiplaatsen (RL-formulieren!). Indien een groeiplaats op een beschermd natuurterrein ligt, is het aan te raden ook de organisatie die het beheert te vermelden. Dan kunnen de gegevens doorgegeven worden aan de beheerder. Of de soort na langdurige afwezigheid op de voormalige groeiplaatsen uit de zaadvoorraad terug kan keren is onduidelijk. De zaadvoorraad is kort tot lang kiemkrachtig (Oberdorfer 2001).


Berghertshooi (Hypericum montanum L.) Kaart

Berghertshooi is nu uiterst zeldzaam en leek gedurende enige tijd zelfs uit Twente verdwenen (Meijden 1996), tot zij in 2000 door Eddy Weeda teruggevonden werd in het bosje waar zij vroeger van bekend was. Hij telde toen vijf planten waarvan er slechts één bloeide. Deze soort houdt van lichte bossen of bosranden. Het is dan ook een plant die, meer nog dan Fraai hertshooi, van halfschaduw houdt. In Zuid-Limburg is de soort weer ontdekt in het Savelsbos, nadat daar gekapt was (Meijden 1999). Het vroegere hakhoutbeheer, aan de rand van het Twentse bosje nog te zien aan de aanwezige stobben, zal min of meer een voorwaarde geweest zijn voor het standhouden van deze soort. De verruiging (bramen, brandnetels) en ook de daardoor ontstane dikke strooisellaag is een bedreiging voor de soortenrijkdom van het bosje. In het voorjaar van 2001 en de winter van 2002 hebben enige vrijwilligers (IVN-Oldenzaal) hier onderhoudswerk verricht. Dat resulteerde in de zomer van 2002 in ca 15 planten Berghertshooi, waarvan 5 in bloei. Ook andere bijzondere soorten, bijvoorbeeld Witte veldbies (Luzula luzuloides) en Muurhavikskruid (Hieracium murorum) profiteerden van deze werkzaamheden. Hieruit blijkt weer dat bij niets-doen-beheer de bossen in Twente te schaduwrijk worden voor de meeste bosplanten! Of Berghertshooi zich hier (mede) uit een zaadvoorraad heeft hersteld is niet zeker (zie ook Oberdorfer 2001). Zeker lijkt wel, dat de soort lang in de schaduw kan vegeteren. De plant vormt dan slappe liggende stengeltjes die weinig opvallen en daardoor bij een inventarisatie gemakkelijk gemist kunnen worden. Het bosje is kort geleden gedeeltelijk in handen van Natuurmonumenten gekomen.

Zeker tot 1950 was Berghertshooi niet bekend van Twente (Mennema & al. 1980). Voor het eerst vind ik een vermelding van de soort bij Loode (1965). In de Graafschap Bentheim komt de soort niet voor (Lenski 1990), de meest nabije groeiplaats ligt tegenwoordig op de Schöppingerberg; vervolgens komen we haar pas bij Lengerich (Teutoburgerwald) (Kaplan 1997) weer tegen. In Nederland zijn er op dit moment, behalve die in Twente, slechts vier andere groeiplaatsen met zekerheid vastgesteld (gegevens LMF-project). Berghertshooi in Twente is dus een kostbaarheid die we moeten koesteren.


Canadees hertshooi (Hypericum canadense L.) Kaart

Deze soort is ook uiterst zeldzaam. Het is een opmerkelijke soort die voor het eerst (op het vasteland van Europa) in 1909 door Lako bij Harbrinkhoek werd verzameld. Lako heeft de soort toen niet op naam gebracht. In de jaren dertig werd de plant op diverse plaatsen in de omgeving van Almelo vastgesteld. In 1975 en in 1979 werd zij nog aangetroffen in twee verschillende uurhokken (Mennema & al. 1980), dus in minstens twee populaties. Op dit moment is er slechts één zekere groeiplaats en dat is meteen de enige op het vasteland van Europa. In Ierland zijn nog twee streken waar zich een aantal groeiplaatsen bevindt, maar overigens moeten we de soort zoeken in Noord-Amerika. Er is veel gediscussieerd over de indigeniteit van deze plant in Europa (Westhoff 1971; Weeda 1984). Zoals zo dikwijls met dit soort problemen, zijn er voor de verschillende standpunten geen keiharde bewijzen. We houden ons hier verder niet met deze kwestie bezig.

Er zijn nog enige recente meldingen van nieuwe groeiplaatsen (Meijden & al. 1988 en 1999). Deze zijn niet bij de coördinator van ons district gemeld en worden derhalve niet op ons verspreidingskaartje aangegeven. Van beide groeiplaatsen is de soort voor zover mij bekend inmiddels weer verdwenen. Het lijkt ons gewenst dat er bij het vinden van de soort op een nieuwe groeiplaats, indien mogelijk, materiaal wordt verzameld. Het kwetsbaar gelegen terreintje waar de soort nu nog staat, wordt beheerd door SBB en is daarmee in goede handen.


Tot slot

Het gaat goed tot redelijk goed met de Twentse Hertshooi-soorten. De vijf laatst besproken soorten hebben wel enige zorg en aandacht nodig. Vooral Fraai hertshooi heeft op dit moment nog te weinig de aandacht. Wij kunnen als werkgroep onze bijdrage leveren door met behulp van onze waarnemingen de vinger aan de pols te houden. Van bovengenoemde vijf soorten kunnen we daarvoor op de streeplijst de abundanties invullen. Maar belangrijker nog is dat we voor de RL-soorten een Rode-Lijstformulier invullen met daarop de vermelding van de precieze coördinaten van de vindplaats. Als de groeiplaatsen goed bekend zijn kan beter gericht natuurbeheer en natuurontwikkeling plaatsvinden. Voor de zeldzaamste soorten is een beschrijving van de groeiplaats bijzonder nuttig in verband met het te voeren beheer. Het is verheugend dat dit beheer bij de Hertshooi-soorten goede resultaten blijkt op te leveren.

Vanaf de Griekse oudheid werd in het bijzonder Sint-Janskruid gebruikt om kwaad af te weren. "Fuga daemonum" was een middeleeuwse naam voor haar; volgens sommige auteurs wijst de naam Hypericum (hyper-eikon, boven het beeld) ook in die richting. Laten we hopen en bevorderen dat de Hypericum- soorten ook in de toekomst de demonen verdroging, verzuring en vermesting kunnen weerstaan.


Literatuur

Garve, E. (1994). Atlas der Gefährdeten Farn- und Blütenpflanzen in Niedersachsen und Bremen. Kartierung 1982 - 1992. Naturschutz und Landschaftspflege Niedersächsens Heft 30/1 Teil: A-K.

Haeupler, H. & P. Schönfelder (1988). Atlas der Farn- und Blütenpflanzen in der Bundesrepublik Deutschland.

Haeupler, H. & T. Muer (2000). Bildatlas der Farn- und Blütenpflanzen Deutschlands.

Kaplan, K. (1992). Farn- und Blütenpflanzen nährstoffarmer Feuchtbiotope. Aktuelle Verbreiting und Situation im nordwestlichen Westfalen und südwestlichten Niedersachsen. Metelener Schriftenreihe für Naturschutz Heft 3.

Kaplan, K. & A. Jagel (1997). Atlas zur Flora der Kreise Borken, Coesfeld und Steinfurt - eine Zwischenbilanz. Metelener Schriftenreihe für Naturschutz Heft 7.

Lenski, H. (1990). Farn- und Blütenpflanzen des Landkreises Grafschaft Bentheim.

Loode, J.W.D. & R.A.B. Luiken (1965). De Twentse flora in vergelijking met die van het Duitse grensgebied (In: Twente-Natuurhistorisch V: Enige Twentse landschappen en hun flora: 23-34).

Luiken, R. & W. Loode (1957). Austieberg en Hoge Lutte. De Levende Natuur 60: 84-93.

Luiken, R. (1957). Drie flora's. De Levende Natuur 60: 189-201.

Meijden, R. van der & W.J. Holverda (1988). Nieuwe vondsten van zeldzame planten in 1987. Gorteria 14: 71-89.

Meijden, R. van der, W.J. Holverda & L. Duistermaat (1999). Nieuwe vondsten van zeldzame planten in 1997, 1998, 1999. Gorteria 25 (6): 117-136.

Meijden, R. van der (1996). Heukels' Flora van Nederland.

Mennema, J., A.J. Quené-Boterenbrood & C.L. Plate (1980). Atlas van de Nederlandse flora 1. Uitgestorven en zeer zeldzame planten.

Mennema, J., A.J. Quené-Boterenbrood & C.L. Plate (1985). Atlas van de Nederlandse flora 2. Zeldzame en vrij zeldzame planten.

Oberdorfer, E. (2001). Pflanzen-soziologische Exkursionsflora.

Robson, N.K.B. (1990). British and Irish St John's-worts. In: The Wild Flower Society (ed.) A guide to some difficult plants. Illustrated articles from the Wild Flower Society Magazine 1973-1988: 90-108.

Robson, N.K.B. (1997). Hypericum x desetangsii (H. perforatum x H. maculatum) in: Rich, T.C.G. & A.C. Jermy (1998). Plant Crib 1998.

Sebald, O., S. Seybold & G. Philippi (1990). Die Farn- und Blütenpflanzen Baden-Württembergs Bd. 2 (Spermatophyta).

Weber, H.E. (1995). Flora von Südwest-Niedersachsen und dem benachbarten Westfalen.

Weeda, E.J. (1984). Over standplaats en indigeniteit van Hypericum canadense L. in Noord-Twente. Gorteria 12 (4): 77-86.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1987). Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties 2.

Werkgroep Florakartering Drenthe (1999). Atlas van de Drentse flora.

Westhoff, V. (1949). Beken en beekdalen in Twente. In: In het voetspoor van Thijsse: 36-64.

Westhoff, V. (1971). Enkele gegevens over de standplaats van Hypericum canadense L. Gorteria 5 (7/10): 239-248.