| HYPERICUM 2 | december 2003 |
J.W. Bielen & J.J. Hofstra
The article describes results of nature restoration in the valley of the Baasdammerbeek (Twente, Prov. of Overijssel, the Netherlands). Species belonging to the ecological groups of plants of oligotrophic situations were found quick to respond. The position of the very rare Hampshire-purslane (Ludwigia palustris) is discussed. Other rare plants that reappeared are: Blinks (Montia fontana subsp. fontana), Lesser Marshwort (Apium inumdatum), Ivy-leaved Crowfoot (Ranunculus hederaceus), the liverwort Purple Crystalwort (Riccia beyrichiana) and the hornworts Carolina Hornwort (Phaeoceros carolinianus) and Anthoceros caucasicus (seventh find in the Netherlands).
Onze belangstelling voor het dal van de Baasdammerbeek werd gewekt door een krantenartikel
(Tubantia 9-4-2002) over een natuurherstelproject op het landgoed Baasdam bij
Tubbergen.
Dit project is in het vroege voorjaar van 2002 uitgevoerd door het waterschap Regge en
Dinkel. In september van dat jaar besloten wij eens een kijkje te gaan nemen. Baasdam is een
particulier landgoed voor publiek opengesteld op wegen en paden. Gelukkig troffen wij daar al
spoedig de toezichthouder die toestemming gaf ons ook buiten de paden te begeven.
We werden getroffen door de schoonheid van het landschap, want waar vind je in Twente nog een ondiepe, onbeschaduwde beek die zo fraai in een dal meandert. En dan de vele zeldzame planten: nergens zagen we Klimopwaterranonkel (Ranunculus hederaceus) zo massaal als hier, met name in en langs de beek, veelal vergezeld van Groot bronkruid (Montia fontana subsp. fontana), Beekpunge (Veronica beccabunga) en Getand vlotgras (Glyceria declinata). Op een plek met veel ijzeroer ontdekten we in een begroeiing van Borstelbies (Isolepis setacea) zeldzame mossoorten. Elders in het terrein troffen we weer andere belangwekkende soorten aan: Waterlepeltje (Ludwigia palustris) Moerashertshooi (Hypericum elodes), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Dwergzegge (Carex oederi subsp. oederi), Ruw walstro (Galium uliginosum) en Kleine zonnedauw (Drosera intermedia).
Blijkens de Grote Historische Atlas van Nederland (1830-1855) maakte de bovenloop van de beek omstreeks 1850 deel uit van het Lage Veld, een moeras, gelegen in het oude heidelandschap. Een halve eeuw later was het moerasgebied ten dele ontgonnen, met name daar waar de beek ontsprong (Historische Atlas Overijssel). Het deel van het beekdal dat binnen het landgoed valt, was toentertijd nog intact evenals de aangrenzende heide; de beek zelf werd aan weerszijden begeleid door een zoom van moeras en drassige plekken met plaatselijk opslag van struikgewas. Vanaf 1925 werden nagenoeg alle beken in West-Twente gekanaliseerd (Westhoff 1949). In welk jaar de Baasdammerbeek tot een sloot gedegradeerd werd, is ons niet bekend, maar in elk geval vóór 1952, zoals blijkt uit de in dat jaar verkende topografische kaart.
Om de natuurlijke loop van de beek te herstellen is het beekdal tot op de minerale bodem afgegraven. In de beek zijn dammen opgeworpen met zogenaamde knijpduikers, waardoor bij veel neerslag een deel van het dal onder water kan komen te staan. Na deze ingrijpende maatregelen slingert de beek thans weer met fraaie meanders door het landgoed.
Hieronder volgt een korte beschrijving van de vegetatie aan de hand van een aantal opnamen, die ongeveer een half jaar na het uitvoeren van de herstelmaatregelen gemaakt zijn (Tabel). We beperken ons tot de vegetatietypen die, bezien vanuit natuurbehoud, het meest waardevol zijn. Belangwekkend is de vondst van Waterlepeltje. Het gaat hier om de enige huidige Twentse vindplaats die nog de directe invloed van een beek ondergaat. Daarom ook enige opmerkingen over de standplaats van Waterlepeltje langs beken.
In samenhang met relief, bodemtype en verschillen in waterhuishouding zijn uiteenlopende pionierbegroeiingen tot ontwikkeling gekomen. In en langs de matig snelstromende ondiepe beek groeien gemeenschappen die karakteristiek zijn voor onbeschaduwde bronmilieus. Het optreden van bronachtige milieus in de omgeving van Tubbergen is volgens Eysink & al. (1999) te danken aan een zeer ondiep watervoerend pakket als gevolg van verplaatste, slechtdoorlatende stuwwalfragmenten. Over het hele traject binnen het landgoed groeien in het water, evenals op droogvallende zandbankjes, grote plakkaten Klimopwaterranonkel: de associatie van Klimopwaterranonkel (Ranunculetum hederacei). Deze gemeenschap (opnamen 1 en 2) komt op veel plekken in mozaïek met de Bronkruid-associatie (Philonotido fontanae-Montietum) voor. De mooist ontwikkelde voorbeelden van de Bronkruid-associatie met onder meer Groot bronkruid, Beek-staartjesmos (Philonotis fontana) en Moerasmuur (Stellaria uliginosa) treffen we aan in natuurlijke afwateringsgeultjes die in de beek uitmonden (opname 3).
Iets verder van de beek verwijderd heeft zich een gemeenschap uit het Nanocyperion gevestigd op enigszins venige bodem rijk aan grote ijzeroerkorrels. Het gaat om een mossenrijke vorm van de associatie van Borstelbies en Moerasmuur (Isolepido-Stellarietum uliginosae, opname 4) met onder meer Borstelbies, Moerasmuur, Moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum), Greppelrus (Juncus bufonius), Dik landvorkje (Riccia beyrichiana), Geel hauwmos (Phaeoceros carolinianus) en Stekelhauwmos (Anthoceros caucasicus). Laatstgenoemde soort, waarvan tot nu toe slechts 6 of 7 Nederlandse vondsten bekend zijn (Huub van Melick, schriftelijke mededeling), is elders in Twente ook in mossenrijke Nanocyperion-begroeiingen aangetroffen, met name in Stroothuizen (Hofstra & Eysink 1997) en Hof Espelo.
Een hoogst interessant milieu vormt een zandig deel van het beekdal waar op de glooiing van de oostflank van het dal enkele ondiepe slenkjes liggen, die bij hoog water in contact staan met de beek. Hier komt een pionierbegroeiing voor (opname 5) die verwantschap vertoont met het verbond van Waternavel en Stijve moerasweegbree ((Hydrocotylo-Baldellion). Dit verbond van plantengemeenschappen van matig voedselarme wateren met sterk wisselende waterstand is er vertegenwoordigd door Ondergedoken moerasscherm, Moerashertshooi, Knolrus (Juncus bulbosus), Moerasstruisgras (Agrostis canina) en Egelboterbloem (Ranunculus flammula). Maar er groeien ook soorten die wijzen op een voedselrijker milieu zoals Waterpostelein (Lythrum portula), Kruipende boterbloem (Ranunculus repens), Zomprus (Juncus articulatus) en een waterranonkelsoort, waarschijnlijk Grote waterranonkel (Ranunculus peltatus).
Temidden van deze soorten komt als grote floristische bijzonderheid Waterlepeltje voor. Waterlepeltje is elders in Twente in soortgelijke, moeilijk te definiëren begroeiingen opgedoken, onder meer in een plas in het Oosterveld, poeltjes in het Voltherbroek, de gracht van de Hunenborg en een poel in het Bonkenbroek.
Qua milieu-omstandigheden onderscheidt de groeiplaats van Waterlepeltje zich van die van andere huidige Twentse locaties: ze herinnert aan natuurlijke groeiplaatsen van vroeger. In het verleden kwam de soort vooral binnen het winterse overstromingsbereik van beken en kleine rivieren voor (Weeda & al. 1987). Langs meanderende beken ontstonden volgens Westhoff & al. (1991) op natuurlijke wijze voortdurend nieuwe groeiplaatsen. Het verspreidingskaartje van Waterlepeltje uit de Kartografische atlas van Overijssel van D. Lako geeft weer dat in het begin van de 20e eeuw in Overijssel de meeste vindplaatsen in of nabij beekdalen ten noorden van Hengelo (in de vroegere gemeente Weerselo) en in het dal van de Dinkel lagen. In hoeverre deze vindplaatsen een natuurlijk karakter hadden valt uiteraard niet meer na te gaan.
Natuurlijke groeiplaatsen zijn wel met zekerheid bekend van Zuidwest-Frankrijk. Zo zag de tweede auteur in de jaren '80 geregeld begroeiingen van Waterlepeltje op slikkerige zandbankjes en strandjes in de beek bij Tour d'Avance (Lot-et-Garonne). Deze locatie was reeds in de 19e eeuw bekend, een aanwijzing dat de soort zich gedurende een lange periode heeft kunnen handhaven. Het is niet onwaarschijnlijk dat Waterlepeltje vroeger in een dergelijk biotoop langs de Baasdammerbeek groeide, althans wanneer men er van uit gaat dat de huidige populatie uit de bodemzaadvoorraad geregenereerd is. De levensomstandigheden langs een beek zijn gunstig; de plant kan zich in stromend water door middel van drijvende vruchten effectief verspreiden; vegetatieve verspreiding (afgebroken stengelstukjes) is ook waargenomen (Westhoff & al. 1991). Bovendien is het voorkomen van Waterlepeltje in een dergelijk milieu in principe niet afhankelijk van menselijke activiteiten, maar kunnen groeiplaatsen voortdurend opnieuw ontstaan door de dynamiek van het stromende water. Of de omstandigheden in de toekomst gunstig blijven zal de tijd uitwijzen.
De uitgangssituatie in het beekdal is wat de plantengroei betreft in bepaalde opzichten gunstig. Zo is het dal bijna volledig omgeven door bos of houtwal wat het inwaaien van meststoffen belemmert. Ook biedt de aanwezigheid van kwel gunstige perspectieven. Echter, het gevaar voor verruiging ligt sterk op de loer, omdat de beek voedselrijk water vanuit nabijgelegen landbouwgebied aanvoert. Daarom is het nauwkeurig volgen van de ontwikkeling van de vegetatie en een daarop afgestemd beheer van belang. Maaien gevolgd door extensieve nabeweiding zal ongetwijfeld nodig zijn om voldoende openheid te handhaven en verruiging tegen te gaan.
Grote Historische Atlas van Nederland 1:50.000 deel 3: Oost-Nederland 1830-1855 blad 51. Reproductie 1990, Wolters-Noordhoff Atlasproducties, Groningen.
Historische Atlas Overijssel: Chromotopografische kaart des rijks 1:25.000 (samenstelling G.L. Wieberink. Den Ilp: Robas Producties, 1990. Blad 343 Ootmarsum (verkend 1901).
Hofstra, J. & A.Th.W. Eysink (1997). Geel hauwmos (Phaeoceros carolinianus (Michx) Prosk.) in Twente. Stratiotes 14: 19-26.
Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1987). Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties. Deel 2.
Westhoff, V. (1949). Beken en beekdalen in Twente. In: "In het voetspoor van Thijsse": 36-64.
Westhoff, V., P.J. van den Munckhoff & J.H.J. Schaminée (1991). Verspreiding en oecologie van Ludwigia palustris (L.) Elliot in Nederland. Natuurhistorisch Maandblad 80 (5): 87-94.