HYPERICUM 2 december 2003


Resultaten van natuurontwikkeling buiten natuurreservaten

J.A.M. Schunselaar


Abstract

The article is about the results of nature management outside nature reserves. In some cases former agricultural land has intentionally been transformed in semi-natural landscape. This has been achieved by removing the top soil layer, polluted by fertilizers and herbicides.
In other cases the construction of motorways and other infrastructural works has unintentionally given scope to a natural vegetation.
Rare species that have profited from these activities are, among others things: Fen Violet (Viola persicifolia), Brown Galingale (Cyperus fuscus), Grass-Poly (Lythrum hyssopifolia).



De aanleiding voor dit artikel is de vondst tijdens een FWT-excursie van de combinatie van Melkviooltje (Viola persicifolia), Bruin cypergras (Cyperus fuscus) en Kleine kattenstaart (Lythrum hyssopifolia) langs de Regge bij Rijssen op 23 augustus 2003. Dit bracht de auteur ertoe om eens nader in te gaan op de resultaten van bedoelde en onbedoelde natuurontwikkeling buiten natuurreservaten in Twente.

De laatste 20 jaar zijn er nogal wat graafwerkzaamheden in het Twentse buitengebied geweest. Daardoor zijn er bedoeld en onbedoeld interessante natuurgebieden ontstaan. Zonder volledig te willen zijn, heb ik hieronder een overzicht gemaakt van enkele van de meest interessante terreinen die als gevolg van menselijk ingrijpen zijn ontstaan.

De floratypen die zich in deze terreinen hebben ontwikkeld, zijn grofweg in drie groepen in te delen:

In onderstaand stuk zal op alle drie de typen kort worden ingegaan.


Pioniervegetaties van het hoge deel van Twente

Over dit type vegetaties is al veel gepubliceerd, niet in de laatste plaats door enkele Twentse natuurbeschermers (Eysink & de Bruijn 1994). Het gaat hier om beschrijvingen van natuurreservaten waar beheersmaatregelen zijn uitgevoerd, en die tot resultaat hadden dat zich een rijke pioniervegetatie ontwikkelde.
Tot in de eerste helft van de vorige eeuw was Twente een bolwerk van een aantal pioniersoorten uit het Dwergbiezenverbond (Nanocyperion flavescentis), bijvoorbeeld Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) en Fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum). Na de vele graafactiviteiten van de laatste 20 jaar zijn deze soorten soms massaal teruggekomen. Zo zijn er van Draadgentiaan vanaf 1977 in Twente alweer 16 groeiplaatsen bekend geworden en van Wijdbloeiende rus zelfs 26 plaatsen. Ook buiten natuurreservaten zijn als gevolg van natuurontwikkeling rijke pioniervegetaties ontstaan. Dat geldt niet in het minst voor experimenten met natuurontwikkeling door particuliere grondeigenaren. Zo is dit jaar Draadgentiaan gevonden in een particulier terrein in de omgeving van Punthuizen bij Denekamp. Onzeker is in hoeverre deze locaties tot duurzame rijke vegetaties leiden. In 1997 is bijvoorbeeld in de Zuid-Eschmarke bij Enschede bij een gegraven poeltje de combinatie van Wijdbloeiende rus, Fraai duizendguldenkruid, Dwergzegge (Carex oederi subsp. oederi) en Borstelbies (Isolepis setacea) gevonden, maar binnen enkele jaren was het poeltje al helemaal overgroeid met wilgen.

Een voorbeeld waar kans bestaat op een duurzaam rijke vegetatie (en wellicht zelfs een duurzame pioniervegetatie) is de Marssteden ten westen van Enschede (253-469/470). De Marssteden is een voorbeeld van natuur op een planologisch niet handige plek. Hierover is al eerder gepubliceerd (Horsthuis 1997). In 1994 werd hier Alpenrus (Juncus alpino-articulatus subsp. alpino-articulatus) en Dwergzegge gevonden. In 1995 vond de auteur hier de combinatie van Draadgentiaan, Wijdbloeiende rus en Grondster (Illecebrum verticillatum). Al snel werd bekend dat deze vondsten niet bewaard zouden blijven, aangezien de Gemeente Enschede langs de A35 een bergingsvijver aan ging leggen.
Men was blijkbaar enige jaren tevoren al voorzichtig begonnen met afgraven, zodat de zaadbank van genoemde soorten bloot was komen te liggen. Na bemoeienis van allerlei partijen, met name van de provincie Overijssel, heeft de gemeente er een grote beleidswijziging voor over gehad om het terrein in stand te houden: de geplande bergingsvijver is op een iets andere wijze aangelegd, met aan de zuidzijde een langzaam aflopend talud. Dit betekende dat het sterk lemige deel waar Draadgentiaan staat, in stand is gebleven. Bovendien heeft Draadgentiaan zich in 2003 aan de onderzijde van het genoemde vijvertalud weten te vestigen. Bovenin de gradiënt staan daar Kruipbrem (Genista pilosa) en Stekelbrem (G. anglica). Het is interessant te constateren dat na negen jaar van de pioniersoorten alleen Wijdbloeiende rus is verdwenen; soorten als Grondster, Draadgentiaan en Waterpostelein (Lythrum portula) zijn na negen jaar nog steeds ruimschoots aanwezig. Na 1995 hebben zich nog andere Rode Lijst-soorten gevestigd, zoals Oeverkruid (Littorella uniflora), Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), Blauwe knoop (Succisa pratensis), Stekelbrem en Kruipbrem (de laatste twee zijn in 2003 teruggevonden, nadat zij in 1995 alleen in het tracé van de latere vijver aanwezig waren).


Meer bestendige vegetaties

Interessant is natuurlijk hoe vanuit bovengenoemde pioniervegetaties de successie verloopt. Uit enkele natuurreservaten, zoals Lemselermaten bij Weerselo en Punthuizen, weten we dat na een fase met Draadgentiaan zich heischraal grasland (Nardo-Galion saxatilis) of blauwgrasland (Cirsio dissecti-Molinietum) kan ontwikkelen.

Hoe zit dat echter buiten natuurreservaten? Tot nu toe kennen wij ook enkele voorbeelden van terreinen buiten natuurreservaten die zich na een menselijke ingreep spectaculair ontwikkelden. Ik wil de volgende terreinen aanstippen:

Poortbulten

Oostelijk van het Arboretum Poortbulten (264-480/481) is ongeveer 10 jaar geleden door Natuurmonumenten in een agrarisch perceel een grote kikkerpoel aangelegd en is de rest van het terrein van de bemeste bovenlaag ontdaan. Hierdoor kwam een leemlaag bloot te liggen. Al zeer snel ontwikkelde zich hier een bedekking van Stekelbrem en veel Struikhei (Calluna vulgaris). Het terrein lijkt zich te ontwikkelen naar een struikheideveld, met heischrale invloeden. In 2002 werden hier de eerste twee exemplaren Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia) gevonden (in 2003 drie exemplaren), alsmede Grote keverorchis (Listera ovata), Rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa var. junialis) (gevlekte vorm), Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea) en Tandjesgras (Danthonia decumbens). Bovendien ontwikkelt zich een klein gedeelte van het terrein richting blauwgrasland, getuige de grote bedekking van Zeegroene zegge (Carex flacca). Van dit type terrein bestaan weinig vergelijkbare voorbeelden. Het enige voorbeeld dat er enigszins op lijkt, maar dat veel minder rijk is, betreft een natuurontwikkelingsterrein op Boerskotten, langs de Postweg ten westen van De Lutte. In dit terrein staan inmiddels onder andere Stekelbrem en Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata).

Landgoed Strootman

Onder leiding van Natuurmonumenten is ten westen van Boekelo een particulier landgoedje ingericht (249-470/471). Ook hier is de bemeste bovenlaag verwijderd, en is een kleine plas aangelegd. In eerste instantie werden Wijdbloeiende rus en Alpenrus gevonden; al spoedig waren ook soorten uit het Oeverkruidverbond aanwezig: Pilvaren (Pilularia globulifera), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum), Vlottende bies (Eleogiton fluitans) en Waterpostelein; vorig jaar werden echter ook enkele blauwgrasland-soorten gevonden: Zeegroene zegge (vele honderden pollen), naast Blauwe zegge (Carex panicea) en zes pollen Blonde zegge (Carex hostiana). Deze ontwikkeling doet zich voor op dat gedeelte van het terrein waar in de sterkste mate leem aan de oppervlakte komt. Op dit gedeelte staan sinds 2002 ook Draadgentiaan, Waterpunge (Samolus valerandi) en Bleekgele droogbloem (Gnaphalium luteo-album).

Afslag Hengelo Zuid, A35

Sinds de aanleg van deze weg in 1977 (248/249-473) hebben zich een drietal zeer verschillende vegetaties ontwikkeld.
Het noordwestelijke kwadrant (afrit vanaf Amsterdam) betreft een 'kamgrasland', doorsneden door twee kwelslootjes. In deze kwelslootjes heeft jarenlang Breekbaar kransblad (Chara globularis) gestaan. In het 'kamgrasland' staan tegenwoordig behalve Kamgras (Cynosurus cristatus) enkele honderden exemplaren Rietorchis (ongevlekte vorm), en bovendien Geelgroene zegge (Carex oederi subsp. oedocarpa) en Echt duizendguldenkruid.
Het zuidoostelijke kwadrant (afrit vanaf Enschede) bestaat uit een kleine zeggenmoerasje. In het natste deel staan Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Veenpluis (Eriophorum angustifolium) en Zwarte zegge (Carex nigra); dit loopt langzaam op naar een smalle strook 'kamgrasland'. In dit zuidoostelijke gedeelte staan ongeveer tien soorten zegge (waaronder Hazenzegge (Carex ovalis), Zwarte zegge, Geelgroene zegge, Blauwe zegge, Blaaszegge (Carex vesicaria), en inmiddels ook Blonde zegge. Bovendien hebben zich ook hier al meer dan 100 exemplaren Rietorchis weten te vestigen, waaronder enkele gevlekte. Tevens hebben hier enkele jaren ook maximaal vier exemplaren Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata) gestaan.
Het noordoostelijke kwadrant (de oprit naar Amsterdam) is weer geheel afwijkend; hier gaat het om een orchideeënrijke vochtige heide, met veel Waternavel (Hydrocotyle vulgaris), Grote wederik (Lysimachia vulgaris), Kruipganzerik (Potentilla anglica), Kleine zonnedauw, Struikhei en Gewone dophei (Erica tetralix), Moeraswolfsklauw, ook hier Kamgras, Knoopkruid (Centaurea jacea) en Gevlekte orchis (een zeer lichte variëteit met een zeer zwak honingmerk); eenmaal is er ook Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris) gevonden. Rijkswaterstaat is op de hoogte gebracht van de rijkdom van deze en andere plekken langs de Twentse snelwegen, en houdt er rekening mee bij het beheer.

Marssteden

De rijke pioniervegetatie is niet de enige interessante ontwikkeling op deze locatie. Langs de bergingsvijver zijn in 2003 ook een aantal vondsten gedaan, die op een meer structureel karakter van een basenrijk milieu kunnen wijzen. Deze vondsten worden echter overschaduwd door het feit dat de gemeente Enschede langs de vijver ongeveer zes jaar geleden een zaadmengsel heeft uitgestrooid. Langs vrijwel de gehele zuidzijde van de bergingsvijver staat een massavegetatie van Grote ratelaar (Rhinanthus angustifolius); deze is zeker afkomstig uit het zaadmengsel. Het is niet goed meer te achterhalen welke soorten nog meer zijn uitgezaaid; in het water staan Waterviolier (Hottonia palustris) en Pilvaren (Pilularia globulifera). Op de mooiste delen langs de vijver (halverwege een gradiënt van droog schraal grasland via vochtig schraalland naar de oevervegetatie) staan Bevertjes (Briza media) (drie pollen met in totaal meer dan 50 bloeiende halmen) en Gevlekte orchis (1 plant) tussen Grote ratelaar, veel Brunel (Prunella vulgaris) en Moeraswalstro (Galium palustre). Helaas kan niet uitgesloten worden dat Bevertjes met het zaadmengsel is meegekomen; in de directe omgeving staan namelijk massaal Groot streepzaad (Crepis biennis) en een plant Beemdooievaarsbek (Geranium pratense). Bevertjes staat er echter wel heel natuurlijk bij, dit in tegenstelling tot soorten als Kleine bevernel (Pimpinella saxifraga), Goudhaver (Trisetum flavescens) en Rapunzelklokje (Campanula rapunculus), die elders in het terrein staan. Van Gevlekte orchis mag worden aangenomen dat het een natuurlijke vestiging betreft. Deze vondsten geven aan dat het terrein zowel lemig is als dat er een zekere mate van basenrijk grondwater aan de oppervlakte komt.

Waterwingebied Weerselo

Midden jaren negentig is in het waterwingebied van Weerselo (255/256-483) natuurontwikkeling gepleegd. Er is een flink terrein geplagd en er is een kleine poel aangelegd. Het bewuste terrein is bijzonder: het is mogelijk dat het terrein het vroeger beschreven Kloppersblok betreft. Dit blijft echter gissen aangezien het Kloppersblok nooit heel precies is aangegeven op topografische kaarten. Al in 1997 is er Alpenrus aangetroffen; in 2002 werd Ronde zegge (Carex diandra) gevonden. De laatste is zeer bijzonder voor een natuurontwikkelingsgebied, aangezien het een trilveensoort betreft. Zij staat aan de oever van de poel, temidden van zure soorten als Snavelzegge (Carex rostrata) en Sterzegge (C. echinata), maar ook Hoge cyperzegge (C. pseudocyperus) is aanwezig. Dit jaar zijn Zeegroene zegge (honderden exemplaren), Rietorchis (ongeveer 20 planten, ongevlekte vorm), Gevlekte orchis (vier planten), Grote ratelaar (enkele tientallen langs de poel) gevonden, plus een sterke uitbreiding van Echt duizendguldenkruid (naar honderden exemplaren). Bovendien zijn soorten van gradiënten naar droge schrale graslanden aanwezig zoals Hazenpootje (Trifolium arvense), Zandblauwtje (Jasione montana) en dergelijke.


Natuurontwikkeling in het lage gedeelte van Twente, waaronder retentiegebieden

Deze derde categorie moet mijns inziens apart worden beschreven, aangezien natuurontwikkeling in het laag gelegen gebied van Twente (globaal tussen Hengelo en Rijssen en het laaggelegen gebied tussen de stuwwallen van Ootmarsum en Oldenzaal) tot andere typen vegetaties leidt. Dat begint al bij de pioniervegetaties. Een tiental jaren geleden is de gracht van de Hunenborg in het Voltherbroek geschoond. Dat leidde toen tot vestiging van de combinatie van Bruin cypergras en Waterlepeltje (Ludwigia palustris). Van de laatste soort zijn de laatste jaren al weer acht locaties bekend; de meeste in het lage deel van Twente.

Reggekreek

De aanleiding voor deze gedachtevorming wordt gevormd door de in de inleiding genoemde ontdekking van Bruin cypergras (enige tientallen pollen), Kleine kattenstaart (zes planten) en Melkviooltje (2 exemplaren) langs een kreek bij de Regge ter hoogte van Rijssen. Deze kreek blijkt een resultaat te zijn van particuliere natuurontwikkeling, vooruitlopend op beleid om de oeverzones van de Regge ten zuidoosten van Rijssen tot retentiegebied te bestemmen. Het merkwaardige is dat de locatie bij Rijssen plaatselijk ook sterk lemig is, maar dat deze tot een veel meer riviergebonden (pionier-)vegetatie heeft geleid dan de pioniervegetaties in Oost Twente: de drie genoemde soorten ontbreken in de Nanocyperion-vegetaties in het hoge deel van Twente; dit geldt eveneens voor soorten als Moerasandijvie (Tephroseris palustris) en Rode waterereprijs (Veronica catenata), die langs de Regge aanwezig zijn. Daarentegen zijn soorten als Dwergzegge en Borstelbies op de locatie bij de Regge zeer zeldzaam. Wel is bij een na-excursie in het Regge-terrein een populatie Pilvaren gevonden.

Woolde

In het najaar van 2000 is ten westen van Hengelo (248-477) een retentiegebied aangelegd. Hierbij werden graslanden langs de Woolderbinnenbeek vergraven. In de zomer van 2001 ontdekte Henri Ludwig-Meijers op drooggevallen kleiige grond enkele bloeiende planten van het zeer zeldzame Kruipend moerasscherm (Apium repens). In 2002 wist deze bijzondere soort zich ook elders in het terrein te vestigen. Andere niet-alledaagse soorten die hier zijn aan te treffen zijn Waterpunge (Samolus valerandi) en Heelblaadjes (Pulicaria dysenterica).


Samenvatting en conclusie

Het bovenstaande overzicht geeft allereerst aan dat ook buiten natuurreservaten natuurontwikkeling tot hoogwaardige resultaten kan leiden, en bovendien tot een behoorlijke diversiteit aan milieus. Het is van groot belang dat deze vondsten bewaard blijven voor de toekomst, zodat de successen niet beperkt blijven tot interessante pioniervegetaties. Dat betekent allereerst dat de terreinbeherende organisaties als gemeentelijke milieudiensten, het waterschap Regge en Dinkel en Vitens, maar ook particuliere terreinbeheerders, op de hoogte moeten worden gebracht. Bij de Marssteden is dat goed gegaan; ook het terrein van Vitens bij Weerselo wordt beheerd, maar daar heeft men nog erg veel last van opslag van Zwarte els. Dergelijke plaatsen bieden daarnaast perspectief om als nieuwe natuurreservaten te worden beheerd; dit geldt bijvoorbeeld voor het Strootman.

Het overzicht geeft aan dat de volgende vegetatietypen zich hebben ontwikkeld in natuurontwikkelingsterreinen buiten de reservaten.

Voor het hooggelegen deel van Twente gaat het om:

Voor Laag-Twente gaat het om:

Van belang is natuurlijk de vraag hoe de hierboven genoemde terreinen momenteel beheerd worden, en of dit beheer een duurzaam succesvolle ontwikkeling garandeert. Enkele van de terreinen worden begraasd door koeien of paarden; dit geldt voor het retentiegebied Woolde, voor de Regge-oevers bij IJpelo, alsmede voor enkele andere interessante terreintjes. Op de korte termijn kan in ieder geval niet de conclusie getrokken worden dat deze vorm van beheer per definitie schadelijk is; dat wil echter niet zeggen dat deze beheersmethode op alle typen terreinen toegepast zou kunnen worden. Op de meeste andere terreinen bestaat het beheer uit maaien en afvoeren. Het lijkt wenselijk om ten aanzien van deze terreinen vooral continuïteit te betrachten en dus het bestaande beheer voort te zetten.


Literatuur
Eysink, A.Th.W. & O. de Bruijn (1994). Kruipnieuws van de gradiënt.. de Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) floreert weer in Twente. Stratiotes 9: 62-103.

Horsthuis, M.A.P. (1997). Over een nieuwe groeiplaats van Draadgentiaan (Cicendia filiformis) in Twente. Nieuwsbrief FLORON-FWT 16: 8

Weeda, E.J., R. Westra & al. (1985-1994). Nederlandse oecologische flora; wilde planten en hun relaties. Deel 1 t/m 5.