HYPERICUM 3 november 2004


De excursie naar Rheine

J.W. Bielen & P.H.L. Spee


16 deelnemers: Winfried Grenzheuser onze gastheer, vergezeld van drie landgenoten, Louis-Jan van den Berg, Jacques Bielen, Wytze Boersma, Roel Douwes, Jaap Groot, Johan Kers, René van Moorsel, Aart Swolfs, Peter Spee, Pieter Stolwijk, Gerrit Welgraven, Otto Zijlstra.

Op zaterdag 10 mei 2003 pakte de FWT een Twentse floristische traditie op en maakte weer eens een excursie over de landsgrens. Dit keer waren gebieden in de omgeving van Rheine ons doel.

Als eerste werd het landgoed bij het "Kloster Bentlage" aangedaan, o.m. omdat daar de in Nederland niet voorkomende Equisetum pratense een groeiplaats heeft. Gedetailleerde informatie over deze plek dankten wij aan een florist uit Rheine, de heer Winfried Grenzheuser, die wij daarom uitnodigden ons "als gast" te vergezellen. Tijdens de excursie ontpopte deze zich echter al gauw als een aimabele gastheer en uiterst deskundige gids in het gebied, dat hij als zijn vestzak kent.

Onze excursiegebieden liggen alle in Westfalen. Het kwam daarom goed uit, dat op de Landelijke variadag van FLORON en KNBV in december 2003, de heer W. Schumacher (Universiteit Bonn) de juist verschenen "Verbreitungsatlas der Farn- und Blütenpflanzen in Nordrhein-Westfalen" (Haeupler & al. 2003) presenteerde. We waren op die dag in de gelegenheid de kwaliteit van dit werk te beoordelen en we besloten het aan te schaffen. Onze waarnemingen kunnen nu dus getoetst worden aan recent verkregen inventarisatieresultaten. In de eerder verschenen Verbreitungsatlas der Farn- und Blütenpflanzen in der Bundesrepublik Deutschland (Haeupler & al. 1988) zijn de kaartjes gebaseerd op kaartbladen 1:25.000 van de Topographische Karte. In de Atlas van Nordrhein-Westfalen worden verspreidingskaartjes gepresenteerd op basis van Quadranten. Dat betekent een viermaal grotere nauwkeurigheid. Het Quadrant waarin Rheine (met de Waldhügel) ligt, wordt het floristisch op één na rijkste genoemd met 918 bestendige soorten.

Voordat Grenzheuser ons naar Equisetum pratense leidde, wilde hij eerst een andere bijzonderheid laten zien. Hij voerde ons langs de installatie bij de "Saline Gottesgabe" waar gedemonstreerd wordt hoe hier vroeger op commerciële basis zout gewonnen werd. Opgepompte pekel laat men over een verticale takkenwand lopen, waardoor het water eruit verdampt en het zout op de takken achterblijft. In de omgeving van deze stellage groeide Zilte schijnspurrie (Spergularia marina), een soort die ook af en toe in Twente gevonden wordt, op door strooizout beïnvloede wegranden. Dankzij deze omweg vonden we even verder Draadklaver (Trifolium micranthum) een, naar ons later bleek hier zeer bijzondere vondst. Haeupler (& al. 1988) vermeldt deze soort namelijk niet voor Westfalen, maar alleen voor Noord-Oost Schleswig-Holstein. Zij groeit daar van oorsprong op strandwallen aan de Oostzee en komt ook voor op extensief gebruikte hellingen van dijken en hellende weilanden, maar geldt dan als ingeburgerd (Raabe 1987). Ook in Nederland is de soort vrijwel beperkt tot het kustgebied. Daarnaast is er een klein aantal groeiplaatsen in Noord-Limburg (Weeda & al. 1987). In de Atlas van Westfalen wordt zij voor drie Quadranten genoemd als een na 1980 verschenen neofiet die zich niet duurzaam handhaaft. Dat is ook hier waarschijnlijk het geval, want al een week na ons bezoek ging dit deel van het park op de schop. Er vindt namelijk een grootscheepse restauratie van het park plaats, waarbij men streeft naar herstel van de oude zichtlijnen en oorspronkelijke beplanting. Grenzheuser vertelde ons in de zomer van 2004 dat de Draadklaver weer was verdwenen.

In de tuin van Kloster Bentlage, waarin thans een dependance van het Landesmuseum für Kunst- und Kulturgeschichte in Münster is gevestigd, stond Pijpbloem (Aristolochia clematitis). Het is een relict uit de tijd dat deze plant als artsenijplant werd gebruikt. De soort heeft er vroeger bij duizenden gestaan (Weber 1995).

Even verderop bevinden zich langs de Ems de groeiplaatsen van Equisetum pratense. Het is een soort van enigszins natte plaatsen in voedselrijke bossen, die in de BRD sterk achteruit gaat. De zuidwestrand van haar areaal loopt door Niedersachsen en bereikt langs de Ems nog net Westfalen.

Equisetum pratense lijkt in de verte enigszins op Bospaardenstaart (E. sylvaticum) en zij lijkt wel wat op schaduwvormen van Heermoes (E. arvense).

Equisetum pratense

Fig.1. Bron: Jonsel 2000.

E. pratense (Fig.1) heeft onvertakte, maar wat kronkelige takken die loodrecht tot iets overhangend uitsteken, in de lengterichting hebben zij 3 (4) gladde, smalle richels. De schedetanden zijn bij deze soort in het midden zwart en voorzien van een brede vliezige rand (Weber 1975).

Equisetum arvense

Fig.2. Bron: Jonsel 2000.

Bij Heermoes (Fig. 2) zijn de niet of weinig vertakte takken meestal minder kronkelig, zij staan schuin omhoog en hebben in de lengterichting (3) 4 scherpe, smalle richels. De schedetanden zijn bij Heermoes bleekgroen met een zwarte top en geen, of een zeer smalle, vliezige rand.

Bospaardenstaart heeft sterker afhangende takken dan E. pratense, die 2 tot 3 maal vertakt zijn.


Na de lunch op het terras van het restaurant bij het museum, zochten wij de Waldhügel op. Over deze heuvel heeft onze gastheer een boeiend boek geschreven, vol informatie over landschap, historie, flora en fauna. Het boek bevat tevens lijsten met de er voorkomende planten, vogels, amfibieën en enige insectenorden (Grenzheuser 1997). De Waldhügel bestaat uit kalksteen, dat vooral in het boven-krijt is afgezet. Een groot deel van de berg is helaas in verscheidene groeven afgegraven ten behoeve van de kalkwinning. Deels zijn de groeven weer gevuld met puin uit de bouw. Gelukkig heeft een deel van het gebied, dankzij de activiteiten van de Förderverein Waldhügel e.V., de status van natuurreservaat gekregen. Deze vereniging heeft plannen ontwikkeld om de overgebleven natuurlijke rijkdommen te bewaren en in de verlaten groeven weer zoveel mogelijk terug te brengen.

Er namen, behalve onze gastheer, nog een drietal Duitse floristen deel aan onze excursie. Het gevolg was dat er niet alleen Nederlandse en meer nog wetenschappelijke maar ook af en toe Duitse plantennamen werden genoemd. Op ons plantenlijstje was daardoor een vermakelijke fout terecht gekomen. Wij hadden namelijk ten onrechte Wit bosvogeltje (Cephalanthera longifolia) op de lijst aangestreept, een letterlijke vertaling van het Duitse Weisses Waldvögelein dat echter wordt gebruikt voor ons Bleek bosvogeltje (Cephalanthera damasonium). Zo blijkt weer dat een vertaling vanuit het Duits soms makkelijk lijkt, maar vol zit met voetangels en klemmen. Deze excursie bewees ook dat het gebruik van wetenschappelijke namen, iets wat hier en daar in Nederland in onbruik dreigt te raken, toch wel erg handig kan zijn.

De Waldhügel is bekend om de vele soorten rozen, die hier in de houtwallen voorkomen. Grenzheuser (2000) is misschien wel daardoor een specialist geworden van dit plantengeslacht. Dankzij zijn kennis staan er enige soorten op onze lijst die niet in de Flora van Nederland staan. In de geplande nieuwe druk zullen ze wel worden opgenomen.

Tijdens de ochtendexcursie bij Bentlage streepten we 239 soorten, tijdens het bezoek aan de Waldhügel waren dat er 150. Totaal werden er die dag 253 verschillende plantensoorten gevonden. In de tabel geven we alleen die soorten die in Twente niet voorkomen of daar zeldzaam zijn.


Literatuur

Grenzheuser, W. (1997). Waldhügel: Ein Naturparadies am Rande von Rheine. Rheine.

Grenzheuser, W. (2000). Flora und Vegetation des Bahnhofs in Rheine. Rheine - gestern, heute, morgen: 45 (2): 6 - 26.

Haeupler, H & T. Muer (2000). Bildatlas der Farn- und Blütenpflanzen Deutschlands.

Haeupler, H. & P. Schönfelder (1988). Atlas der Farn- und Blütenpflanzen in der Bundesrepublik Deutschland.

Haeupler, H., A. Jagel & W. Schumacher (2003). Verbreitungsatlas der Farn- und Blütenpflanzen in Nordrhein-Westfalen.

Jonsell, B. (ed.) (2000). Flora nordica 1.

Raabe, E.W. (1987). Atlas der Flora Schleswig-Holsteins und Hamburgs.

Weber, H.E. (1975). Zur Unterscheidung von Equisetum arvense L. und Equisetum pratense Ehrh. Göttinger Floristischer Rundbriefe 9 (2): 35-39.

Weber, H.E. (1995). Flora von Südwest-Niedersachsen und dem benachbarten Westfalen. Osnabrück.

Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1987). Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties 2.