| HYPERICUM 3 | november 2004 |
J.W. Bielen & J.J. Hofstra
In juli 2003 vonden we in een poeltje bij Denekamp een plant die er onmiskenbaar als een Kattenstaart (Lythrum spec.) uitzag. Reeds op het eerste gezicht verschilde de plant van Grote kattenstaart (L. salicaria) door de enigszins grijsblauw getinte bladeren en de liggend-opstijgende zijtakken. Toen we een paar meter verder ook bloeiende planten vonden, was met behulp van de Flora van Nederland (Meijden 1996) het determinatieprobleem snel opgelost (Fig.1).Het ging om Kleine kattenstaart (Lytrum hyssopifolia), een eenjarige soort die nieuw bleek te zijn voor Twente. Thuis kregen we enige twijfel toen bleek, dat Kruipkattenstaart (L. junceum) soms voor Kleine kattenstaart wordt aangezien. De eerstgenoemde soort wordt namelijk af en toe verwilderd in ons land aangetroffen; bovendien is zij ook van Twente bekend (Stolwijk & al. 1997). Na het raadplegen van verscheidene flora's waren we echter zeker van de juistheid van onze determinatie. Ongeveer een maand later werd Kleine kattenstaart tijdens een FWT-excursie opnieuw aangetroffen, nu in een natuurontwikkelingsgebied langs de Regge ter hoogte van Rijssen (Schunselaar 2003).
Kleine kattenstaart is een kosmopoliet die in alle werelddelen voorkomt met uitzondering van Antarctica. De soort heeft zijn oorsprong waarschijnlijk in Eurazië gehad. Het is aannemelijk dat watervogels voor de verspreiding naar andere werelddelen hebben gezorgd. (Meusel & al. 1978; Meusel & al. 1992). Zo liggen geïsoleerde plaatsen met voorkomens van Kleine kattenstaart in Zuid-Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Afrika, Senegal, Ethiopië en midden in de Sahara: Tibesti en Hoggar, alle binnen trekbanen van wadvogels uit Noord-Eurazië (Van de Kam & al. 1999: p. 95).
Binnen Europa komt de plant vooral in het zuidelijk deel voor en ligt de noordgrens van haar areaal bij 53 ° N.Br.
Kleine kattenstaart staat in Nederland te boek als een zeer zeldzame, onbestendige soort (Rode Lijst 4). Wel neemt de frequentie van de waarnemingen de laatste jaren toe. In ons land werd de soort vroeger uitsluitend als adventief beschouwd vanwege diverse vondsten op industrieterreinen. Tot voor enige jaren is Kleine kattenstaart vooral aangetroffen in de stedelijke gebieden ("warmte-eilanden"). Denters (1999) noemt de soort daarom "stadsafhankelijk". Volgens de Nederlandse Oecologische Flora (Weeda & al. 1987) zijn in ons land ook "natuurlijke" groeiplaatsen bekend; het zou dan meestal gaan om open, natte, droogvallende plekken langs de rivieren. Recente vindplaatsen buiten stedelijk gebied zijn: de Sassenplaat in het Hollandsch Diep (Duistermaat 1998), een natuurontwikkelingsgebied bij Winschoten (Weeda 2000) en een braakliggende maïsakker in Oost-Gelderland (Te Linde & al. 2003). De twee nieuwe vindplaatsen in Twente sluiten hierbij aan.
Bij Denekamp groeide Kleine kattenstaart op de zwak glooiende oeverzone van een drooggevallen poeltje dat door graafwerkzaamheden in het voorjaar van 2002 ontstaan is. De vegetatie bestond voornamelijk uit een mengeling van zomertherofyten en hemicryptofyten; verder waren ook enkele hydrofyten present. De therofyten waren vertegenwoordigd door soorten uit de Dwergbiezen-klasse (Isoeto-Nanojuncetea) en uit de Tandzaad-klasse (Bidentetea tripartitae) zoals blijkt uit de drie opnamen van tabel 1. Buiten de opname zagen we één exemplaar Goudzuring (Rumex maritimus), een voor Twente bijzondere soort uit de Tandzaad-klasse. Wat de structuur en de gehele floristische samenstelling betreft vertoont het opnamemateriaal verwantschap met een gemeenschap uit het Dwergbiezen-verbond (Nanocyperion flavescentis): de associatie van Borstelbies en Moerasmuur (Isolepido-Stellarietum). Met name opname 3 kan zonder meer tot deze gemeenschap gerekend worden.
In de Vegetatie van Nederland (Schaminée & al. 1998) wordt Kleine kattenstaart vermeld als kensoort van de Dwergbiezen-klasse alhoewel de soort in de tabellen ontbreekt. Uit een beschrijving (Duistermaat 1998) van een groeiplaats op de Sassenplaat, een eiland in het Hollands Diep, kan men afleiden dat de soort ter plaatse deel uitmaakt van een begroeiing die overeenkomt met de Slijkgroen-associatie (Eleocharito acicularis-limoselletum). Deze gemeenschap, die meestal tot de Dwergbiezen-klasse gerekend wordt, is in de Vegetatie van Nederland (Schaminée & al. 1998) ondergebracht in de Tandzaad-klasse. Uit het buitenland zijn concretere plantensociologische gegevens bekend. Zo blijkt uit opnamen in Süddeutsche Pflanzengesellschaften (Oberdorfer 1977) dat de plant in het Duitse Rijngebied in verschillende Nanocyperion-gemeenschappen (o.a. de Slijkgroen-associatie) aangetroffen is. In Noord-Frankrijk is de soort evenals bij Denekamp, in de associatie van Borstelbies en Moerasmuur waargenomen. Volgens Bournérias (1984; & al. 2001) is zij daar karakteristiek voor deze gemeenschap. In zuidelijker streken, met name in het westelijk deel van het Middellandse-Zeegebied, komt zij in uiteenlopende gemeenschappen van de Dwergbiezen-klasse voor (Braun-Blanquet & al. 1952). Al deze gemeenschappen hebben gemeen dat ze zich op vochtige, kale, meestal tijdelijk onder water staande bodem ontwikkelen. De groeiplaats bij Denekamp sluit goed aan bij de standplaatsen zoals beschreven in de plantensociologische literatuur.
Hoe Kleine kattenstaart haar nieuwe groeiplaatsen in Twente heeft bereikt, is niet met zekerheid te zeggen. In Twente lijkt zowel aanvoer door middel van stromend water als regeneratie uit een bodemzaadvoorraad zeer onwaarschijnlijk, daar de soort hier nooit eerder is aangetroffen. Aanvoer door de mens is natuurlijk niet uit te sluiten, maar transport door watervogels lijkt ons het meest voor de hand liggend. Watervogels zijn namelijk uitstekende vectoren voor een gericht zaadtransport (Grabherr & al. 1993: p. 198). Zo vliegen steltlopers en eendachtigen in de trektijd voortdurend van het ene kleine watertje naar het andere. Met name zaden van soorten uit het Dwergbiezen-verbond zijn op de poten van vogels aangetroffen (Ellenberg 1978: p. 794).
In de tweede helft van de vorige eeuw zijn verscheidene soorten van het Dwergbiezenverbond sterk afgenomen. Door natuurontwikkelingsprojecten neemt het aantal geschikte groeiplaatsen de laatste jaren weer enigszins toe. Het lijkt ons dan ook geen toeval dat een Nanocyperionsoort van warmere streken opduikt in Twentse natuurontwikkelingsterreinen in een periode waarin het klimaat warmer wordt. Wellicht zal Kleine kattenstaart in de toekomst een meer permanente plaats in de flora van Twente gaan innemen.
| Opname nummer | 1 | 2 | 3 | |
| Datum | 21-07-2003 | 21-07-2003 | 21-07-2003 | |
| Oppervlak (m2) | 2 | 0,75 | 0,50 | |
| Bedekking (%) | 20 | 50 | 30 | |
| Aantal soorten | 15 | 20 | 15 | |
| Isoeto-Nanojuncetea | ||||
| Juncus bufonius | +.2 | 2.2 | 2.2 | Greppelrus |
| Lythrum hyssopifolia | +.1 (7 ex) | +.1 (3 ex) | +.1 (3 ex) | Kleine kattenstaart |
| Isolepis setacea | r2 | +.2 | Borstelbies | |
| Gnaphalium uliginosum | +.1 | Moerasdroogbloem | ||
| Bidentetea tripartitae | ||||
| Rorippa palustris | +.1 | +.1 | r | Moeraskers |
| Persicaria minor | r | r | r | Kleine duizendknoop |
| Plantaginetea majoris | ||||
| Poa annua | r | r | +.1 | Straatgras |
| Lolium perenne | +.1 | +.2 | Engels raaigras | |
| Agrostis stolonifera | +.1 | r | Fioringras | |
| Plantago major subsp. major | r | r | Grote weegbree s.s. | |
| Polygonum aviculare | r | r | Gewoon varkensgras | |
| Ranunculus repens | r | r | Kruipende boterbloem | |
| Overige soorten | ||||
| Callitriche (spec.) | +.2 | 2.2 | 2.2 | Sterrenkroos (spec.) |
| Juncus effusus | +.2 | 2.2 | +.2 | Pitrus |
| Juncus articulatus | +.1 | 2.2 | +.2 | Zomprus |
| Alisma plantago-aquatica | r | +.1 | r | Grote waterweegbree |
| Salix (spec.) | r | r | r | Wilg (spec.) |
| Juncus bulbosus | +.2 | +.2 | Knolrus s.l. | |
| Cardamine (spec.) | r | Veldkers (spec.) | ||
| Elytrigia repens | +.2 | Kweek | ||
| Lemna minor | +.2 | Klein kroos | ||
| Persicaria maculosa | +.1 | Perzikkruid | ||
| Taraxacum officinale s.l. | r | Gewone paardenbloem s.l. |
Braun-Blanquet, J., N. Roussine & R. Nègre (1952). Les groupements végétaux de la France méditerranéenne.
Bournérias, M. (1984). Guide des groupements végétaux de la région parisienne - Bassin parisien - Nord de la France (Ecologie et Phytogéographie).
Bournérias, M., G. Arnal & C. Bock (2001). Guide des groupements végétaux de la région parisienne - Bassin parisien - Nord de la France (Ecologie et Phytogéographie).
Denters, T. (1999). De flora van het Urbaan district. Gorteria 25 (4): 65-76.
Duistermaat, H. (1998). Een greep uit de bijzondere vondsten van 1998. Gorteria 24 (5): 121-123.
Ellenberg, H. (1978). Vegetation Mitteleuropas mit den Alpen.
Grabherr, G. & L. Mucina (ed.) (1993). Die Pflanzengesellschaften Österreichs Teil 2: Natürliche waldfreie Vegetation.
Kam, J. van der, B. Ens, T. Piersma & L. Zwarts (1999). Ecologische atlas van de Nederlands wadvogels.
Linde, B. te, & L.-J. van den Berg (2003). Atlas van de Flora van Oost-Gelderland.
Meijden, R. van der (1996). Heukels' Flora van Nederland.
Meusel, H. & E.J. Jäger (1978). Vergleichende Chorologie der Zentraleuropäischen Flora: Kartenteil II: 297b.
Meusel, H. & E.J. Jäger (1992). Vergleichende Chorologie der Zentraleuropäischen Flora: Text Band III: p. 67.
Oberdorfer, E. (1977). Süddeutsche Pflanzengesellschaften 1.
Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff (1998). De vegetatie van Nederland 4: Plantengemeenschappen van de kust en van binnenlandse pioniermilieus.
Schunselaar, J.A.M. (2003). Resultaten van natuurontwikkeling buiten natuurreservaten. Hypericum 2: 8-11.
Stolwijk, P.F. (1997). Bijzondere vondsten 1995. Nieuwsbrief FLORON-FWT 16: 1-4.
Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1987). Nederlandse oecologische flora, wilde planten en hun relaties 2.
Weeda, E.J. (2000). Winschoterzijl en Tjamme: in PKN Excursieverslagen 1998.