| HYPERICUM 3 | november 2004 |
J.W. Bielen
Bremer, P. (2001). Nieuwe natuur in Overijssel. Een overzicht van de gerealiseerde natuurontwikkelingsgebieden 1985-2000. 60 pag.
In dit informatieve rapport worden de natuurontwikkelingsterreinen besproken die in Overijssel tot het jaar 2001 zijn gerealiseerd. Van elk terrein wordt het jaar van aanleg, het oppervlak, de beheerder, de aard van de ingreep en een eventueel onderzoeksresultaat gemeld. In een bijlage wordt een lijst gepresenteerd met alle in deze terreinen verschenen Het rapport behandelt een vijftigtal terreinen in FLORON-district Twente.
Horsthuis, M. (2002). De botanische waarden van het kanaal Almelo-Nordhorn. Een beheersevaluatie. 29 pag.
Het rapport vergelijkt de kwaliteit van de vegetatie in de bermen van het kanaal voor en na 1990. De geconstateerde achteruitgang wordt geweten aan stikstofdepositie uit de lucht en onjuist of slordig maaibeheer (door de provincie!). Het rapport stelt dat sinds 1979 een aantal RL-soorten verdwenen zijn, bijv.: Gelobde maanvaren (Botrychium lunaria), Geelhartje (Linum catharticum). De provinciale onderzoekers hebben Welriekende nachtorchis (Platanthera bifolia) na 1990 niet aangetroffen. In ons RL-lijst bestand bevindt zich echter nog een waarneming (1999, Stoltenkamp) van een populatie van tussen de 5 en 25 exemplaren. Blijkbaar is bij de uitwisseling van gegevens tussen FLORON-FWT en de Provincie iets misgegaan. Gewone vleugeltjesbloem (Polygala vulgaris), die ik nog in de zeventiger jaren van de vorige eeuw in de berm van het kanaal heb gezien, staat niet in de lijst met aandachtssoorten van het rapport en zal dus ook wel verdwenen zijn.
Helaas wordt het rapport ontsierd door een aantal onnauwkeurigheden. In de lijst van waargenomen aandachtsoorten staan o.a. Moeslook (Allium oleraceum) en Paddenrus (Juncus subnodulosus) vermeld; deze soorten zijn nooit in Twente waargenomen. Voorshands nemen we aan dat het om onjuiste determinaties gaat. Het kaartje met de verspreiding van Wilde tijm (Thymys serpyllum) komt exact overeen met onze waarnemingen van Grote tijm (Thymus pulegioides). Wilde tijm is aan het kanaal naar ons beste weten nooit waargenomen.
Bremer, P. (2003). De ontwikkeling van de flora en vegetatie in het natuurontwikkelingsgebied op het landgoed Strootman. De evaluatie van het eerste voorbeeld van particulier beheer in Overijssel. 43 pag.
Het hier besproken project werd in 1997 gerealiseerd. Daarna werd het resultaat van jaar tot jaar gevolgd d.m.v. vegetatieopnamen en inventarisaties. De toestand van het terrein is hierdoor zeer goed vastgelegd. Ook een klein aantal gegevens van waarnemers van FWT-FLORON zijn verwerkt. Het rapport wordt besloten met beheersadviezen en een uitvoerige discussie omtrent te verwachten ontwikkelingen. Het rapport is aan te bevelen voor reservaatbeheerders en andere geïnteresseerden in natuurbeheer.
Bremer, P., M. Horsthuis & P. Hendriksma (2004). Meten is weten: Over veranderingen in de plantengroei op het Overijssels platteland. 87 pag.
In 1990 werd begonnen met het veldwerk voor het Provinciaal Botanisch Meetnet. Dit meetnet moet, samen met het weidevogelmeetnet, informatie opleveren over de toestand van de natuur in Overijssel. Het meetnet bestaat uit 92 km-hokken, die voornamelijk in het landelijk gebied liggen en zoveel mogelijk geen reservaten bevatten. Binnen elk hok werden gemiddeld 34 verschillende landschapsobjecten (totaal 3155) apart bemonsterd. Bovengenoemd rapport bevat een verwerking van de gigantische hoeveelheid op deze wijze verkregen gegevens bij inventarisatieronden in 1990/1991 en 1997/1998. Het is hier niet mogelijk om de vele gesignaleerde trends te bespreken. We noemen als voorbeeld de opvallend achteruitgang van Dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Slanke sleutelbloem (Primula elatior) en Blauwe knoop (Succisa pratensis) in het landelijk gebied. Achteruitgang werd vooral geconstateerd in gebieden buiten de Ecologische hoofdstructuur. Bijzondere soorten die vooruit gaan profiteren meestal van natuurontwikkelingsprojecten. Al met al een interessant rapport waar heel wat informatie valt uit te halen.
Dorland, E., &. al. (2000). Herintroductie en bekalking van het inzijggebied. Aanvulling bij effectgerichte maatregelen tegen eutrofiëring en verzuring in heischrale milieus. 118 pag. Universiteit Utrecht / Universiteit Nijmegen.
Een aantal van de hier beschreven experimenten is uitgevoerd in de Borkeld. Hier werd in 1997 na bekalking van het terrein Valkruid (Arnica montana) gezaaid en zelfs als kiemplant uitgezet. Uitzetten leverde het beste resultaat. In 1999 bloeiden er 5 exemplaren. Omdat de populatie nog klein is adviseren de onderzoekers de herintroductie te herhalen. Wij zijn benieuwd of de populatie hier stand zal houden. Bij een wandeling in het gebied zou u wellicht Valkruid kunnen ontdekken. Een RL-formulier invullen is dus gewenst, maar dan wel met de vermelding dat het om een herintroductie gaat.
Kaplan, K. & R. Schraa (2003). Kiebitz - Naturschutznachrichten aus dem Kreis Coesfeld: Die Pflanzenwelt des Kreises Coesfeld. 88 pag. Biologisches Institut Metelen.
Dit rapport bevat een beschrijving van de verschillende landschaps- en vegetatietypen in het gebied. Dit is voor ons het interessantste deel van het rapport, daar de rest niet veel informatie toevoegt aan de eind 2003 verschenen Verbreitungsatlas der Farn- und Blütenpflanzen in Nordrhein-Westfalen. Behalve een volledige soortenlijst met per soort in welke vegetatietypen zij voorkomen, wordt nog van een klein aantal soorten een verspreidingskaartje gegeven met het voorkomen per Viertelquadrant. De kaartjes van de Atlas van Westfalen, die in principe dezelfde gegevens bevatten, zijn gebaseerd op Quadranten.
Koop, H.G.J.M. (2003). Potentieel waardevolle vegetaties van de Lonnekerberg. 41 pag.
In 2000 verwierf Landschap Overijssel een groot deel van het Lonnekerberggebied. Bovengenoemd rapport is geschreven om als basis te dienen voor het beheer. Het veldwerk werd verricht in de eerste helft van juni 2003. Vroege en late soorten kunnen dan zijn gemist. Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) komt er op een tweetal plaatsen voor, maar wordt niet in het rapport genoemd. In 1990 heeft Otto Zijlstra in het gebied de RL-soorten grondig in kaart gebracht. De auteur heeft gebruik gemaakt van deze gegevens. Vrij veel van de door Otto aangeven vindplaatsen van RL-soorten zijn door de schrijver niet terug gevonden. Toch blijft het Lonnekerberg gebied zeer bijzonder. De auteur geeft een aantal aanbevelingen voor behoud en herstel van waardevolle vegetaties. Een daarvan is het weer open maken van dichtgegroeide bospaden en de waarschuwing om de paden niet met zware machines te beschadigen.
Denters T. (2004). Stadsplanten. Veldgids voor de stad. 432 pag. Fontaine uitgevers. ISBN 90 5956 075 2.
In deze gids worden 700 plantensoorten die in de stad voorkomen, uitvoerig behandeld. Ruim de helft daarvan is afgebeeld met een kleurenfoto. Een aantal ervan komt zelfs uitsluitend in de stad voor: de urbane soorten. Daar zijn veel nieuwkomers onder, waarvan afbeeldingen in de bestaande gidsen spaarzaam zijn. Het boek besluit met beschrijvingen van 18 botanische wandelingen in steden verspreid door het hele land. Ook Hengelo en Enschede komen aan bod. Laat je bij de hand nemen door deze gids en je zult zeker enthousiast worden voor en thuis raken in de stadsflora.