| HYPERICUM 4 | maart 2005 |
P.F. Stolwijk
In het seizoen 1989 is FLORON begonnen met het Algemeen project. Dit project beoogde om een landdekkende inventarisatie van Nederland op basis van het km-hok te realiseren. Het project liep in 2004 ten einde met de afronding van het zogenaamde 'witte gebiedenplan'. Dit plan hield in dat in de slecht geïnventariseerde gebieden van Nederland een minimum aan km-hokken werd bezocht om de inventarisatie in redelijke mate landdekkend te maken.
Zoals op de overzichtskaart te zien is, heeft de FWT in deze 15 jaar niet het hele district Twente e.o. kunnen inventariseren; vooral het noordwesten van ons district is te weinig onderzocht. Maar de inventarisaties van de provincie Overijssel zijn wel vlakdekkend geweest, met uitzondering van het stedelijk gebied. Daar is de FWT echter weer volledig geweest. Dat betekent dat door de gecombineerde inspanningen van provincie en FWT er in Twente geen witte gebieden waren.
In deze eerste inventarisatieronde heeft de Floristische Werkgroep Twente 490.847 waarnemingen verricht (primair bestand); na aftrek van dubbele waarnemingen (over de hele periode gerekend) zijn dat er 321.975 (secundair bestand). Deze en die van de provincie vormen het leeuwendeel van de waarnemingen in de landelijke database FlorBase voor ons district.
In 2005 willen we dus een nieuwe inventarisatieronde starten.
Het is echter niet realistisch te verwachten dat we binnen afzienbare tijd in staat zullen zijn het hele district volledig te inventariseren. Daarom gaan we de komende jaren twee projecten beginnen.
Het eerste project noem ik het Algemeen project ronde-2. Het Algemeen project ronde-2 behelst hetzelfde als het gelijknamige project uit de eerste ronde. We gaan gewoon weer elk km-hok dat we bezoeken, zo volledig mogelijk inventariseren. Hierbij geven we voorrang aan die gebieden die of nog nooit goed zijn onderzocht of waarvan de volledige inventarisatie al weer langer dan 5 jaar is geleden. Uit de kaart blijkt wat de huidige 'witte gebieden' zijn. Ook valt er uit af te lezen welke km-hokken (12 of meer Rode Lijst-soorten sinds 1989) leuke excursiedoelen zijn. Het excursieprogramma 2005 zal hier rekening mee houden. Daarnaast zijn deelinventarisaties en aparte vondsten evenzeer welkom.
Het tweede project wordt een Monitoringproject. Voor dit monitoringproject is het landelijk bureau van FLORON bezig een methode te ontwikkelen die het mogelijk moet maken om in een beperkte tijd (waarschijnlijk 10 jaar) een representatief beeld van de Nederlandse flora te krijgen. Hoe dit project in detail zal ingericht worden, is nu nog niet geheel duidelijk. Zeker is wel dat het om een beperkt aantal km-hokken zal gaan. Deze km-hokken zullen zo gekozen worden dat uit de gegevens van de eerste ronde een eerste monitoringronde valt samen te stellen. Door vanaf 2005 deze km-hokken opnieuw te inventariseren kan dus reeds een vergelijking tussen twee periodes gemaakt worden. Het zal duidelijk zijn dat dit monitoringproject door ervaren floristen moet worden uitgevoerd om een goede vergelijking mogelijk te maken. We zullen daarom de km-hokken die door het landelijk bureau worden vastgesteld, uitgeven aan floristen die een goede kennis hebben van de gehele Nederlandse flora.
FLORON en de FWT gaan voor het overige gewoon door met het Rode Lijst-project en het Bijzondere Soorten Project (BSP).
In het Rode Lijst-project worden de vindplaatsen van de soorten van de Rode Lijst 2000 zo goed mogelijk beschreven door middel van de RL-formulieren.
In het BSP willen we van een elk jaar andere groep zeldzame soorten de meest recente gegevens bundelen, zo nodig door herbezoek van de vroegere vindplaatsen (Bielen 2005).
Men kan zich afvragen of het Algemeen project (ronde-2) wel van belang is naast de overige projecten. Is het nuttig om opnieuw te noteren waar Poa annua (Straatgras), Rumex obtusifolius (Ridderzuring), Urtica dioica (Grote brandnetel), Bellis perennis (Madeliefje) enz. voorkomen? Welnu, misschien is dat voor de genoemde soorten niet het geval. Echter, willen we weten welke veranderingen zich voordoen in de Nederlandse flora, dan zullen we in beginsel geen enkele soort moeten uitsluiten. Uit de vogelwereld kennen we inmiddels het voorbeeld van de enorme achteruitgang van Passer domesticus (Huismus). Zouden de vogelaars zich alleen hebben geconcentreerd op zeldzame en bedreigde soorten, dan zou de achteruitgang van een (vroeger) zeer algemene soort als de Huismus onopgemerkt zijn gebleven. Voor de planten kennen we vergelijkbare, zij het minder spectaculaire gevallen. Welke Twentse florist zou vermoed hebben dat soorten als Anthoxanthum aristatum (Slofhakken) en Nardus stricta (Borstelgras) op de Rode Lijst zou komen? Zo zijn er veel meer voorbeelden te noemen.
Alleen door het Algemeen project is het mogelijk de Rode Lijst en de Standaardlijst van de Nederlandse Flora periodiek te actualiseren en een lijst van 'wachtkamersoorten' op te stellen.
Bielen, J.W. (2005). Het Bedreigde Soorten Project in 2005. Hypericum 4: 22.
Stolwijk, P.F (2005). De Standaardlijst van de Nederlandse Flora. Hypericum 4: 8.