P.F. Stolwijk
(coördinator FWT)
Bij het vaststellen van de kwaliteit van de natuur in een bepaald gebied wordt vaak gesproken over biodiversiteit.
Dit houdt, simpel gezegd, in dat een gebied een hogere natuurkwaliteit bezit naarmate de diversiteit van de er levende organismen hoger is.
Het begrip diversiteit bezit zowel een kwantitatief als een kwalitatief aspect. Een bepaald gebied is niet alleen belangrijk door het aantal soorten, respectievelijk het aantal individuen van een of meer soorten; ook de bijzonderheid van de soorten en de soortensamenstelling speelt een rol.
Zo beschouwd zal een akker met een tiental algemeen voorkomende onkruiden als bijvoorbeeld: Herderstasje, Vogelmuur,
Hanenpoot, Glad vingergras, Paarse dovenetel, Varkensgras, Straatgras, Bijvoet, Melganzenvoet,
Kweek niet hoog aangeschreven staan, hoe massaal de onkruiden ook aanwezig kunnen zijn.
Een heideterrein met slechts een tiental soorten waaronder naast Dop- en Struikheide ook enige exemplaren van Stekelbrem,
Klokjesgentiaan en Beenbreek, zal veel hoger gewaardeerd worden. Dat heeft te maken met zowel de bijzonderheid van de soorten
(als uiting van de bijzonderheid van het biotoop) als met de soortensamenstelling.
Datzelfde heideterrein zal mogelijk ook hoger gewaardeerd worden dan een braakliggend terreintje op een industriecomplex, hoewel we daar
moeiteloos wel honderd of zelfs veel meer, soms heel fraaie, plantensoorten kunnen aantreffen. Een gebied echter dat een groot aantal soorten
herbergt, waaronder heel bijzondere (lees: zeldzame), in een verscheidenheid aan biotopen, zal waarschijnlijk in de hoogste waarderingsklasse
vallen.
Om te weten of een soort bijzonder of zeldzaam is, zul je moeten weten hoe het staat met de verspreiding ervan in een bepaald gebied. Dat kan in Nederland heel goed op nationale schaal, eventueel ook nog op provinciale schaal. Om in nog kleinere eenheden de zeldzaamheidsschalen te bepalen heeft geen waarde op zich, hoogstens als vergelijking met de zeldzaamheid op bijvoorbeeld nationale schaal. Om dit met een eenvoudig voorbeeld aan te geven: het heeft natuurlijk geen enkele zin om vast te stellen dat het Madeliefje in mijn tuin uitgestorven is en dat de Pinksterbloem, vorig jaar nog met 18 exemplaren vertegenwoordigd, nu uiterst zeldzaam is geworden, omdat er nog maar een plant van over is.
Zeldzaamheid is echter geen statisch, maar een dynamisch gegeven. Het verandert in de tijd en in vergelijking met het voorkomen van andere soorten. Dus, om te weten of een soort nog steeds zeldzaam is of inmiddels zeldzaam is geworden, zal van alle soorten een goed overzicht van hun voorkomen moeten bijgehouden worden.
FLORON, in Twente samen met de FWT (Floristische Werkgroep Twente), doet dat voor de (vaat)planten zoals SOVON dat doet voor de vogels en vele andere organisaties voor weer andere groepen organismen (zie bijvoorbeeld Natuur.pagina).
Daarvoor bestaan er een aantal FLORON-projecten:
(De verdere tekst is hoofdzakelijk gebaseerd op de handleiding van het LMF-A project, uitgave Landelijk Bureau
Er is al veel bekend over het voorkomen van zeldzame plantensoorten in Nederland. Al decennia lang worden er verspreidingsgegevens verzameld, eerst vooral per uurhok, later per vierkante kilometer. Toch is het op grond van deze gegevens vaak niet mogelijk om een goed beeld te vormen hoe het met de verschillende soorten gesteld is.
Om zulke vragen te kunnen beantwoorden is een landelijk meetnet nodig. In een meetnet worden gegevens systematisch verzameld, met een goed omschreven methode, op vaste meetpunten en met een voldoende hoge frequentie. Er zijn al verschillende flora-meetnetten in Nederland, maar deze zijn op regionale schaal opgezet. Diverse provincies volgen al enkele jaren de trends van zeldzame plantensoorten. Ook terreinbeheerders, zoals Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer doen steeds meer aan monitoring. Tot nu toe ontbreekt echter een landelijk overzicht.
In het FLORON Landelijk Meetnet Flora wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de gegevens van de bestaande flora-meetnetten. Daarnaast zijn er nog heel veel aanvullingen nodig, omdat lang niet alle soorten en terreinen in voldoende mate worden bekeken. Wij hopen dan ook op de deelname van veel enthousiaste floristen.
In het Landelijk Meetnet Flora Aandachtsoorten (LMF-A) doen we onderzoek naar veranderingen in het voorkomen van zeldzame en kwetsbare soorten. Het betreft vooral soorten die op de Rode Lijst staan. In totaal worden er ruim 300 soorten gevolgd. Bekende populaties van deze soorten worden tenminste één keer in de vier jaar bezocht, waarbij wordt nagegaan of de soort nog aanwezig is, en in welke aantallen. Tevens kijken we of er ook nieuwe populaties van aandachtsoorten zijn verschenen.
Voor een groot deel van de aandachtsoorten kan volstaan worden met een steekproef. Daarnaast zijn er ook soorten die zo zeldzaam zijn dat we alle bekende populaties willen volgen. Deze noemen we de integraal te meten soorten (= I-soorten). Als er van die soorten nieuwe populaties worden gevonden voegen we die onmiddellijk toe aan het meetnet. Ook streeplijsten van het FLORON-Totaalproject, meldingskaartjes en Rode-Lijstformulieren zijn daarvoor belangrijke bronnen.
Bij de uitvoering van het Meetnet zijn verschillende organisaties betrokken. FLORON organiseert en coördineert het veldwerk, onderhoudt de contacten met de waarnemers en ondersteunt ze waar nodig. Twee maal per jaar verschijnt een Nieuwsbrief over het meetnet. Deze wordt toegestuurd aan alle waarnemers, terreineigenaren en overige betrokkenen.
Verder is FLORON verantwoordelijk voor de inhoudelijke aspecten van het meetnet en het beheer van de verzamelde gegevens. Het Centraal Bureau voor de Statistiek zorgt voor de statistische analyse van de gegevens met als doel landelijke en regionale trends in de aantalsontwikkelingen van Aandachtsoorten waar te nemen. Het IKC-Natuurbeheer let op een goede afstemming tussen de vragen van de overheid en de antwoorden die een meetnet daarop kan geven.
Iedereen met voldoende kennis van bijzondere soorten van een bepaald biotoop kan meedoen. In Twente betreft het veelal fraaie soorten, die de meeste natuurliefhebbers wel kennen. Een greep: Lavendelheide, Stekelbrem, Kruipbrem, Klokjesgentiaan, Moeraswolfsklauw, Beenbreek, Kleine veenbes, Witte en Bruine Snavelbies, Vleeskleurige orchis, Gevlekte orchis, Rietorchis, Brede orchis, Grote keverorchis, Welriekende nachtorchis, Steenanjer, Beemdkroon, Verspreidbladig en Paarbladig goudveil, Boszegge, Bospaardenstaart, Reuzenpaardenstaart, Grote wolfsklauw, Boswederik, Koningsvaren, Zwartblauwe rapunzel, Slanke sleutelbloem, Klein wintergroen, Heelkruid, Zevenster, Bosereprijs.
Als je bijvoorbeeld goed thuis bent in de flora van heideterreinen, kan je heel goed een meetpunt in zo'n gebied voor je rekening nemen, zonder dat je de soorten van loofbossen kent. Wie de gewoonte heeft elk jaar in bepaalde terreinen te kijken of een bepaalde soort er nog staat, zou die inspanning dus heel goed in dit project kunnen inbrengen. Het is natuurlijk wel handig als je de populaties ook de komende jaren kunt blijven volgen.
Als je mee wilt doen kan je je aanmelden Jacques Bielen, de coördinator LMF-A van district Twente. Hij heeft een overzicht van de meetnethokken met bijbehorende soortenlijsten. Je kunt bij hem dus navragen of er meetpunten in jouw buurt liggen en hoeveel werk een meetpunt oplevert. Wanneer je begeleiding in het veld wilt, dan kan je daarvoor een afspraak maken de coördinator LMF-A. Hij zorgt dan dat er iemand een dag met je meegaat.
Oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in: Natuur MUSEUM Jannink jg.3, nr.3+4 (augustus 2000): 18-19.
De laatste paragraaf is op 16-01-2003 herschreven in verband met ontwikkelingen binnen het LMF-A project.
Reacties naar: Redactie FWT-FLORON