Botaniseren in en om Enschede

P.F. Stolwijk

(coördinator FWT)


Abstract

The occurrence of some rare plants (outside nature reserves) and of neophytes in and around the city of Enschede (prov. of Overijssel, the Netherlands) is discussed. A short history and methods of the FWT (Flora Workgroup Twente) are given.



Inleiding

Vaak wordt gedacht dat zeldzame planten slechts in natuurreservaten te vinden zijn. Dat is soms ook wel juist; maar in het algemeen onderschat men dan wel wat de natuur voor verrassingen heeft te bieden, juist op door de mens zeer sterk beïnvloede plaatsen. En zijn, zeker ook in Twente, de meeste van de huidige reservaten niet eigenlijk overblijfsels van het vroegere cultuurlandschap?


De Floristische Werkgroep Twente

De Floristische Werkgroep Twente (FWT) heeft sinds zijn oprichting in 1977 steeds ook veel aandacht gehad voor wat ik het nieuwe cultuurlandschap zou willen noemen: stedelijke gebieden inclusief havens, spoorwegen e.d.; (bermen) van (snel)wegen; enz.
Van meet af aan heeft de FWT in Twente geïnventariseerd op het niveau van het kilometerhok (km-hok). Van elk onderzocht km-hok van de topografische kaart werd een aparte lijst van de gevonden planten gemaakt. De gegevens zijn verwerkt in de Atlas van de Nederlandse flora. In deze Atlas echter zijn de gegevens weergegeven op het niveau van blokken van 25 km2. Zodoende werkte de FWT als een van de eersten op een schaal die 25 maal nauwkeuriger is dan de Atlas.
Met de oprichting van de Stichting Floristisch Onderzoek Nederland (FLORON) in 1989 is deze werkwijze landelijk geworden. Bovendien worden sindsdien gegevens per jaar apart genoteerd. Als een bepaald km-hok in verschillende jaren wordt bezocht, dan worden de gegevens dus niet samengevoegd (zoals de FWT tot dan toe deed), maar apart per jaar bewaard.
Op deze wijze heeft de FWT over de periode 1977 tot en met 1988 ongeveer 90.000 gegevens verzameld. Vanaf 1989 heeft de FWT gewerkt binnen de FLORON-projecten. Het eigenlijke Twente is toen bovendien in het noorden nog uitgebreid met het gebied tot aan de grens met de provincie Drenthe. In die periode zijn door leden van de FWT en door diverse plaatselijke werkgroepen en individuele floristen ruim een kwart miljoen waarnemingen gedaan.
Alle gegevens zijn in de computer ingevoerd. Dat is een absolute voorwaarde als men de gegevens vlot wil kunnen raadplegen. Zo is het nu mogelijk snel een lijst van gevonden soorten uit een bepaald km-hok af te drukken of een verspreidingskaartje van een bepaalde soort te maken.


Enschede: zeldzame soorten

De FWT heeft niet als eerste waarnemingen gedaan in het stedelijk gebied van Enschede. Zo heeft Eddy Weeda, de auteur van de Oecologische Flora, al in 1967 interessante planten gevonden in het gebied van de Enschede haven, toen daar de tweede haven werd gegraven. Hij meldt de vondst van Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) en Pilvaren (Pilularia globulifera). Deze soorten staan tegenwoordig op de Rode Lijst van verdwenen of bedreigde soorten en waren voornamelijk nog uit reservaten bekend. Daarnaast meldt hij het voorkomen van Rosse vossenstaart (Alopecurus aequalis) en Borstelbies (Isolepis setacea).
Jelle Hofstra bericht in 1982 over de plantengroei in een slootje langs het viaduct bij de Universiteit Twente. De zeer bijzondere vegetatie met o.a. de Rode Lijst-soorten Witte waterranonkel (Ranunculus ololeucos), Vlottende bies (Eleogiton fluitans), Moerashertshooi (Hypericum elodes), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum) en Drijvende waterweegbree (Luronium natans) heeft lang stand gehouden. Wat er sinds de recente reconstructie van de parallelweg van over is, weet ik nog niet.
In dezelfde hoek van de stad zijn de laatste jaren wederom een aantal verassende vondsten gedaan. In een vijvertje bij de spoorlijn vond ik in 1989 Slijkgroen (Limosella aquatica), de eerste vondst voor Twente. Later werd er ook Wijdbloeiende rus en Rosse vossenstaart gevonden.
De aanleg van het industrieterrein de Marssteden (tussen het havengebied en Boekelo) heeft wederom een aantal van de eerder genoemde soorten opgeleverd: Draadgentiaan en Wijdbloeiende rus. Maar ook zijn hier de Rode-Lijstsoorten Alpenrus (Juncus alpinoarticulatus subsp. alpinoarticulatus), Grondster (Illecebrum verticillatum) en Oeverkruid (Littorella uniflora) aangetroffen.
In het gebied worden nu vijvers aangelegd voor de opvang van regenwater. Gelukkig heeft de ontdekking van de bijzondere vegetatie ervoor gezorgd dat de gemeente het bestaande plan heeft aangepast om deze vegetatie te behouden. De eerste berichten zijn in ieder geval gunstig.
De meeste van de genoemde soorten kwamen vroeger in Twente veel algemener voor. Het zijn pionierplanten van open, vaak ietwat lemige plekken in heidegebieden, in karrensporen, op kale oevers van plassen e.d. En ze zijn gebonden aan relatief voedselarme omstandigheden. In de landbouwgebieden zijn natuurlijk nog genoeg open plekken, maar die zijn bijna steeds overbemest. Nu krijgen deze planten een nieuwe kans door de graafactiviteiten ten behoeve van industrie en infrastructuur, met name wanneer de overbemeste toplaag is afgevoerd.


Enschede: nieuwkomers

Een heel andere groep van bijzondere planten zijn de soorten die zich pas de laatste jaren hier hebben gevestigd. Hierbij gaat het in het algemeen om planten die tamelijk warmteminnend zijn. En de stad is nu eenmaal een beschut en relatief warm biotoop.
Zo heeft zich in vrijwel heel Enschede een grote verandering voorgedaan in de voegen van de bestrating. Van oudsher groeiden daar voornamelijk Straatgras (Poa annua), samen met Kruipende vetmuur (Sagina procumbens) en Varkensgras (Polygonum aviculare). Op heel veel plaatsen is Straatgras verdrongen door Straatliefdegras (Eragrostis pilosa). De eerste vondst dateert van 1981. Nu is er bijna geen km-hok zonder (veel) vindplaatsen van deze soort. En Straatgras staat nu veeleer in perkjes en tuinen.
Virginische kruidkers (Lepidium virginicum), Vergeten kruidkers (Lepidium neglectum) en Dichtbloemige kruidkers (Lepidium densiflorum) zijn ook voorbeelden van warmteminnaars, die we alleen in de stad (vooral het westelijk gedeelte) aantreffen.
Sinds kort wordt ook veelvuldig een duinplant in de stad gevonden: Duinvogelmuur (Stellaria pallida). Misschien is ze vroeger over het hoofd gezien, maar het is waarschijnlijker dat het warme stadsmilieu deze soort de gelegenheid heeft gegeven zich hier uit te breiden.
De taluds van de grote verkeersaders (kanalen, spoorwegen, grote wegen) hebben ook hun eigen flora gekregen. Het gaat daarbij om een dynamisch milieu: sterke wisselingen in temperatuur; pekelen van de weg; 'schaven' van de bermen. En waarschijnlijk zijn deze lijnvormige elementen voor een aantal planten een invalsweg.
Binnen Enschede kunnen we zo sinds de laatste jaren genieten van soorten als Bezemkruiskruid (Senecio inaequidens), Deens lepelblad (Cochlearia danica), Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) en Steenkruidkers (Lepidium ruderale), allemaal soorten die pas hooguit sinds 20 jaren uit Twente bekend zijn.
De voortgaande uitbreiding van de infrastructuur aan wegen en industrieterreinen zal ook in de toekomst aan een aantal plantensoorten een vestigingsmogelijkheid bieden. In de randstad zijn de laatste jaren weer een aantal soorten opgedoken die we te zijner tijd ook in Twente kunnen verwachten.
In het licht van het voorgaande loont het de moeite om de omgeving van station Drienerlo en de doorgetrokken RW 35 richting Duitsland in de gaten te houden.


Vondsten van bijzondere planten kunnen altijd bij mij gemeld worden. Ook ben ik graag bereid determinaties te verrichten of te controleren. Voorwaarde is dan wel dat de plant goed is verzameld en dat zeer nauwkeurig de vindplaats is vastgelegd.


Oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in: Natuur en Museum 41: 2 (juni 1997), Kwartaalblad van het Natuurmuseum Enschede.


Reacties naar: Redactie FWT-FLORON