Grassen tussen de maïs

P.F. Stolwijk

(coördinator FWT)


Abstract

The occurrence of some grasses, most of them of alien origin, in maize fields is discussed.



In Nederland vinden we nauwelijks nog akkeronkruiden. Waar zie je nog uitgestrekte korenvelden met een rand van klaprozen (Papaver spec.), kamille (Matricaria spec. en Anthemis spec.), Korenbloem (Centaurea cyanus), om slechts de vroeger meest algemene en opvallende onkruiden te noemen? De oorzaken zijn bekend. Het zaaigoed wordt geschoond van onkruidzaden, - belangrijk voor de volksgezondheid bij een soort met giftige zaden als Bolderik (Agrostemma githago) - en de gewassen worden veel dichter opeen gezaaid dan vroeger om tot een hogere opbrengst per oppervlakte te komen. Bovendien maakt de snelle wisseling van gewassen het de onkruiden nauwelijks mogelijk een zaadvoorraad in de bodem aan te leggen. En ook de hogere mestgift en het gebruik van bestrijdingsmiddelen vragen hun tol.

Maar de natuur vecht terug en ziet kans te reageren op de maatregelen van de mens om haar in toom te houden.

Maïsakkers stonden er lange tijd om bekend dat er nauwelijks karakteristieke onkruiden in te vinden waren. De enige min of meer specifieke soort die je met grote regelmaat kon aantreffen in en langs een maïsakker, was Glad vingergras (Digitaria ischaemum). Daarnaast komt aan de rand van een maïsakker vrijwel altijd Hanenpoot (Echinochloa crus-galli) voor. Deze beide soorten zie je ook terug in het stedelijke milieu, tussen straattegels en op omgewerkte grond.

De onkruidbestrijding in maïsakkers bestaat er voornamelijk in dat laat in het voorjaar de onkruiden, die na de oogst van het voorafgaande jaar bezit hebben genomen van de akker, worden doodgespoten, waarna de maïs wordt gezaaid. Het gebruikte bestrijdingsmiddel werkt echter alleen tegen tweezaadlobbige gewassen, zodat maïs (zoals alle grassen een eenzaadlobbige) en de onkruidgrassen worden gespaard en zelfs bevoordeeld tegenover de tweezaadlobbige onkruiden.

In dit biotoop hebben zich in recente tijd enige grassen gevestigd die tot voor kort in Twente onbekend of heel zeldzaam waren. Het betreft Draadgierst (Panicum capillare) en Kransnaaldaar (Setaria verticillata). Deze grassen krijgen een enkele keer gezelschap van enige in Twente wat algemenere grassen als Groene naaldaar (Setaria viridis), Geelrode naaldaar (Setaria pumila) en Harig vingergras (Digitaria sanguinalis). Deze laatste drie soorten vinden we echter veel vaker in de stad dan in akkers.

Alle bovengenoemde grassen behoren tot een groep planten die een andere manier van koolstofopname hebben dan de meeste inheemse planten. Daardoor kunnen ze veel sneller groeien dan andere soorten, wat een concurrentievoordeel is, maar de truc werkt alleen bij een tamelijk hoge dagtemperatuur. Het zijn dus warmteminnende soorten, die van een reeks warme zomers kunnen profiteren. Onder de tweezaadlobbigen kennen de Amaranten (Amaranthus spec.) dezelfde truc. In maïsakkers gaat het voornamelijk om Papegaaienkruid (Amaranthus retroflexus), Groene amarant (Amaranthus hybridus) en Franse amarant (Amaranthus bouchonii).

Van deze nieuwkomers van maïsakkers breidt Kransnaaldaar zich het snelst uit. De eerste vondst aan een maïsakker werd in 1976 gedaan op de Usseleres. In 1977 werd de soort daar teruggevonden. Pas in 1990 werd, op vrijwel dezelfde plek, de soort teruggevonden, hoewel er in de tussentijd ook naar is gezocht. Daarna volgen in snel tempo nieuwe vondsten, voornamelijk ronde Enschede. Op dit ogenblik kennen we 32 km-hokken met deze soort, waarvan er 25 in de gemeente Enschede liggen (kaart). De verklaring hiervoor kan zijn dat er elders in Twente te weinig op de soort is gelet. Maar de meest actieve floristen kennen de tamelijk opvallende soort goed. Veeleer vermoed ik dat Kransnaaldaar rond Enschede een bolwerk heeft gevormd om van daaruit in toenemende mate zich ook elders te vestigen. Draadgierst is op dit moment nog veel zeldzamer; maar waar zij staat, is zij vaak heel talrijk.

Van beide soorten komen uit andere delen van Nederland berichten dat ze in opmars zijn. Ook uit Duitsland wordt dit gemeld. Nog in 1994 (!) staan in de Oecologische Flora van Eddy Weeda (deel 5) Kransnaaldaar en Draadgierst apart vermeld als soorten waarvan nog niet vast staat of ze in de Nederlandse flora een vaste plaats gaan innemen. Kransnaaldaar had toen alleen rond Maastricht een min of meer standvastig voorkomen. Ook van Draadgierst meldt Weeda dat ze uit maïsakkers bekend is, evenals Kale gierst (Panicum dichotomiflorum) die in Twente ook uit een maïsakker bekend is. Vermoedelijk komt nog een (zeer op Kale gierst gelijkende) gierstsoort (Panicum schinzii) in maïsakkers voor, maar (nog?) niet in Enschede.

Na de invasie van de warmteminnende grassoort Straatliefdegras (Eragrostis pilosa) in het stedelijk milieu - in Enschede inmiddels een van de talrijkste grassen en nu ook steeds meer bekend van het buitengebied - zien we nu dus een invasie in het nieuwe biotoop dat door het moderne boerenbedrijf is geschapen: de maïsakker.


Vondsten van bijzondere planten kunnen altijd bij mij gemeld worden. Ook ben ik graag bereid determinaties te verrichten of te controleren. Voorwaarde is dan wel dat de plant goed is verzameld en dat zeer nauwkeurig de vindplaats is vastgelegd.


Oorspronkelijk geschreven voor en gepubliceerd in: Natuur MUSEUM Jannink jg.2, nr.5 (oktober 1999): 6.


Reacties naar: Redactie FWT-FLORON