Nieuwsbrief FLORON-FWT 2 april 1990


Een bezoek aan het Bentheimerwald

J.W. Bielen


Abstract

During a visit to the Bentheimerwald (Bad Bentheim, Niedersachsen, Germany), the very rare Pignut (Conopodium majus) was found. The problems in determining this species are discussed.



Op 10 juni 1989 maakte de afdeling Hengelo van de KNNV een plantenexcursie naar het Bentheimerwoud. Het was aanvankelijk de bedoeling dat Rudolf Luiken deze excursie zou leiden, maar omdat Rudolf die dag plotseling verhinderd was, vroeg hij schrijver dezes als excursieleider op te treden. Nu is Rudolf Luiken van oudsher een kenner van dit gebied, hij weet de plekjes soms tot op de vierkante meter aan te wijzen, zodat van mijn kant enige aarzeling bestond. Deze aarzeling werd overwonnen nadat Rudolf aanbood een voor-excursie te houden.
Omdat ik wist dat Pieter Stolwijk sinds hij in Twente woont het Bentheimerwoud nooit had bezocht, vroeg ik hem om mee te gaan. Boze tongen beweerden later dat ik steun zocht bij zijn plantenkennis. Nou ja, misschien is dat ook wel zo.
In ieder geval leverde het streeplijstje van Pieter op deze ochtendexcursie maar liefst 184 soorten. We vonden onder meer een nog niet bij Rudolf bekende populatie van de in Nederland uiterst zeldzame Trilgraszegge (Carex brizoides), verder onder meer Bleke zegge (Carex pallescens), Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), Zwartblauwe rapunzel (Phyteuma nigrum subsp. nigrum), Boswederik (Lysimachia nemorum) en last but not least Franse aardkastanje (Conopodium majus).
Deze laatste had Rudolf mij op de voorexcursie reeds getoond. Hieronder volgt meer informatie over deze plant in een artikeltje dat ik heb geschreven voor "Onder de Loep", het mededelingenblaadje van de KNNV-afd. Hengelo.

Het succes van deze excursie brengt mij er toe voor te stellen om bij wijze van snoepexcursie ook met de FWT eens een bezoek te brengen aan het Bentheimerwoud. Het liefst zou ik op deze excursie tevens een opname willen maken van de vegetatie met de Franse aardkastanje. Deze excursie zou in verband daarmee plaats moeten hebben rond 1 juni.
Het determineren van Conopodium majus leverde met diverse flora's nogal wat moeilijkheden op. Nadat ik mijn artikel bij Jan Clason van de KNNV-afd. Hengelo had ingeleverd, wees deze mij erop, dat determinatie moeiteloos lukte met de tabel van J. Schmitz (1988).


Franse aardkastanje (Conopodium majus) in Bentheim

Op de excursie van zondag 10 juni werd door de deelnemers de door Rudolf Luiken twee jaar geleden voor het eerst ontdekte Franse aardkastanje uitgebreid bestudeerd. Dat het hier een bijzondere vondst betreft, blijkt o.m. uit het feit dat deze schermbloem nooit in Nederland is aangetroffen en derhalve niet wordt vermeld in de Nederlandse flora's. De naam Franse aardkastanje werd aan een Belgische flora (De Langhe 1988) ontleend. (Zie ook Meijden & Vanhecke 1986.)
In Duitsland is deze soort zeer zeldzaam. In de Atlas der Blütenpflanzen der BRD (Haeupler & al. 1988) worden slechts zeven vindplaatsen vermeld. Bentheim ontbreekt daarbij.
Franse aardkastanje, die evenals Aardkastanje (Bunium bulbocastanum) eetbare knollen bezit, is dan ook een plant met een atlantische tot submediterrane verspreiding. In Engeland behoort zij tot de "common roadside plants" en komt vanaf het uiterste zuiden tot de noordelijkste punt van Schotland en zelfs op de Shetlandeilanden in elke county voor.

Het determineren kostte Rudolf Luiken en de door hem geraadpleegde plantenkenners wel enige moeite. Uiteindelijk sprak Eddy Weeda, de schrijver van de Nederlandse Oecologische Flora, het verlossende woord. Aanvankelijk werd aan Bergvenkel (Meum athamanticum), ook geen Nederlandse plant, gedacht. Zo'n fout wordt meer gemaakt. In bovengenoemde Atlas der Blütenpflanzen der BRD staat een foto met het onderschrift 'Conopodium majus'. Bij zijn bespreking van deze atlas in Gorteria 15 (no.2, 1989) vermeldde R. van der Meijden reeds dat dit onjuist is en Meum athamanticum moet zijn. Na het zien van Conopodium majus in het Bentheimerwoud moet ik hem gelijk geven. (In Gorteria 15:6, p.162 staat echter dat op de bewuste foto beide soorten te zien zijn.)
Hier blijkt weer uit dat het determineren van schermbloemigen nog wel eens minder eenvoudig kan zijn. Daar zijn diverse redenen voor. Veel soorten lijken uiterlijk sterk op elkaar. Er zijn nog al eens bloemen en tegelijk rijpe vruchten nodig voor een goede determinatie. Bij de Franse aardkastanje is bovendien de variatie in de aantallen omwindsels en omwindseltjes een probleem. In de determinatietabel van de Duitse flora van Schmeil-Fitschen (1968) bijvoorbeeld moet gekozen worden voor drie of meer omwindsels en omwindseltjes om op Conopodium majus uit te komen. Maar bij de beschrijving van deze plant lezen we in dezelfde flora: "Hülle und Hüllchen oft fehlend." Ook bij de door ons bekeken exemplaren bleken de omwindsels afwezig en van de omwindseltjes waren niet meer dan een paar frutsels te zien.

Toch is de Franse aardkastanje als je hem eens gezien hebt, niet zo moeilijk te herkennen. Opvallend zijn de breed driehoekige, snel geel verwelkende, grondstandige bladen, waarvan het begin van de bladsteel zich meestal onder de grond bevindt. De grondstandige bladen komen daardoor op enige afstand van de stengel uit de grond en lijken daarvan los te staan. Deze eigenschappen waren bij de door ons bekeken exemplaren goed te zien. De plant staat rechtop en bereikt een hoogte van 15 tot 50 cm. De bladen zijn twee- tot drievoudig geveerd, de deelbladen van de eerste orde zijn gesteeld. De schermen bevatten zes tot twaalf stralen. De vrucht is in lengtedoorsnede smal ovaal en voorzien van een tweetandige snavel.
De plant verschijnt in het vroege voorjaar, ontwikkelt rijpe zaden voor het eind van de maand juni en sterft dan op de ondergrondse knol na af. Ze behoort dus tot de voorjaarsgeofieten net als Bosanemoon (Anemone nemorosa), Speenkruid (Ranunculus ficaria) enz.

Hoe deze plant in Bentheim verzeild is geraakt, zal wel altijd een raadsel blijven. Dat zij met opzet door de mens werd ingebracht lijkt weinig waarschijnlijk. Zij heeft niet direct kwaliteiten als aantrekkelijke tuinplant. Een onopzettelijke overbrenging behoort zeker wel tot de mogelijkheden. De groeiplaats is namelijk direct gelegen aan de rand van het park van het Kurort, waar helaas veel met exotisch plantenmateriaal gewerkt wordt.
De standplaats lijkt wel geschikt en overeen te komen met de in de literatuur beschreven standplaatsen in Engeland. De Franse aardkastanje komt daar voornamelijk voor in vochtige bossen met betrekkelijk onvruchtbare, diepe, zwak zure minerale bodems en wordt veelal aangetroffen samen met Bosanemoon, Boskortsteel (Brachypodium sylvaticum), Groot heksenkruid (Circaea lutetiana), Knolboterbloem (Ranunculus bulbosus) en Ruig viooltje (Viola hirta). De eerste drie soorten treffen we in het Bentheimerwoud in de nabije omgeving van de vindplaats aan. Opmerkelijk vind ik de vermelding dat de Franse aardkastanje in Engeland niet voorkomt op kalkrijke bodems, terwijl wij het Bentheimerwoud toch meestal een iets kalkrijker ondergrond toekennen. Mogelijk is een en ander meer een kwestie van benadering dan een echt verschil van opvatting.

Al met al werd er dus op een plaats die toch al uitmuntte door een opmerkelijke rijkdom aan planten, een bijzondere plant bij gevonden, waar de beheerders van dit deel van het parkbos bij het Bad zuinig op zouden moeten zijn. De laatste jaren lijkt de bosrand hier te veel te verruigen.
Wie weet er een weg om voor elkaar te krijgen dat de tuinders daar meer rekening houden met de natuurlijke vegetatie, bijvoorbeeld via een Duitse natuurbeschermingsorganisatie?


Literatuur
Haeupler, H. & P. Schoenfelder (1988). Atlas der Farn- und Blütenpflanzen der BRD, p. 80 en p. 355.

Langhe, J.E. de, & al. (1983). Flora van België, Luxemburg, N-Frankrijk en de aangrenzende gebieden, p. 407 en p. 422.

Meijden, R. van der, & L. Vanhecke (1986). Naamlijst van de Flora van Nederland en België. Gorteria 13: 87-170.

Meijden, R. van der (1989). Gorteria 15: 65.

Schmeil-Fitschen (1968). Flora von Deutschland und seine angrenzende Gebieten, p. 227 en p. 234.

Schmitz, J. (1988). Determinatietabel voor de Umbelliferen(-geslachten) van Nederland en België. Gorteria 14: 3-10.