| Nieuwsbrief FLORON-FWT 9 | juni 1993 |
Aspecten van de Twentse flora |
|
J.W. Bielen
Plant maps are presented of Yellow Star-of Bethlehem (Gagea lutea) and Gagea spathacea.
In deze reeks willen we de recente ontwikkeling van de Twentse flora kort bespreken. We laten daarbij kaartjes zien ter stimulering van verder
onderzoek. Een aantal van de nu gepresenteerde kaarten geven waarschijnlijk een vrij nauwkeurig beeld van de huidige verspreiding van de soort,
omdat gericht is gezocht met behulp van diverse informatiebronnen. In andere gevallen zijn zeker nog andere groeiplaatsen te ontdekken of terug
te vinden. Aanvullende gegevens worden vanzelfsprekend op prijs gesteld.
Bij de interpretatie van de gegevens dient u wel te bedenken dat voor de periode 1977-1988 uitsluitend gegevens werden verwerkt van de FWT die
alleen in het gewest Twente werkte. Het district Twente van FLORON strekt zich over de grenzen van het gewest uit, in het noorden tot de
provinciegrens met Drenthe. Het FLORON-projekt telt minder onderzoeksjaren, maar veel meer medewerkers.
Atlas: voor 1950: 10 atlasblokken.
Atlas: na 1950: 12 atlasblokken.
1977 - 1988 (FWT): 5 atlasblokken; 7 km-hokken.
1988 - 1993 (FLORON): 11 atlasblokken; 15 km-hokken.
Deze soort heeft in Nederland drie concentraties van vindplaatsen: in Drenthe, in Twente en in Zuid-Limburg.
Overal lijkt de soort sterk achteruit gegaan te zijn. Zo wordt zij door Maas (1959) vermeld voor de Elsbeek, nabij
de Dinkel, waar de soort nu niet meer aanwezig is. Op de meeste van vroeger bekende locaties langs beken is de soort echter nog wel aanwezig,
maar in veel geringere hoeveelheid.
Er zijn enkele potentiële vindplaatsen nog niet door ons bezocht.
Atlas: voor 1950: 4 atlasblokken.
Atlas: na 1950: 5 atlasblokken.
1977 - 1988 (FWT): 3 atlasblokken; 5 km-hokken.
1988 - 1993 (FLORON): 4 atlasblokken; 7 km-hokken.
Deze soort ontbreekt in het Drents district en in de Achterhoek. In de Graafschap Bentheim komt zij slechts op twee plaatsen in het
heuvelgebied ten noorden van Ootmarsum voor, dus aansluitend aan het Twentse areaal. Opvallend is het ontbreken van beide
Chrysosplenium-soorten in het Bentheimerwoud Lenski (1990). De groeiplaatsen in Twente nemen dus een bijzondere,
nogal geïsoleerde plaats in.
Een enkele potentiële vindplaats werd nog niet in FLORON-periode bezocht.
Op grond van de atlasblokken is de achteruitgang niet te bepalen, omdat nogal wat groeiplaatsen dicht bij elkaar liggen. Een aantal
groeiplaatsen is zeker verloren gegaan: de "Hel" bij de Tankenberg; aan de benedenloop van de Bloemenbeek bij "De Aust"; op de Austiberg.
Gericht zoeken leverde in de FLORON-periode al veel populaties van de beide Goudveil-soorten. Maar het beeld is nog niet compleet.
Atlas: voor 1950: 2 atlasblokken.
Atlas: na 1950: 4 atlasblokken.
1977-1988 (FWT): 2 atlasblokken; 6 km-hokken.
1989-1993 (FLORON): 4 atlasblokken; 8 km-hokken.
Gericht zoeken op de bekende vindplaatsen heeft een nagenoeg compleet beeld opgeleverd van deze soort.
De van vroeger bekende vindplaats aan de Schipbeek (Mennema 1977) bij de Duitse grens in atlasblok 34.38 is door
ons nooit teruggevonden. Daarentegen is in 1990 een nieuwe groeiplaats ontdekt in km-hok 243-461 (atlasblok 34.35) aan de Schipbeek bij
Rietmolen (Stolwijk 1990).
Atlas: voor 1950: 8 atlasblokken.
Atlas: na 1950: 12 atlasblokken.
1977 - 1988 (FWT): 5 atlasblokken; 7 km-hokken.
1989 - 1993 (FLORON): 9 atlasblokken; 17 km-hokken.
Schedegeelster is een centraal-europese endeem, die bij ons haar westgrens bereikt.
Over de Geelster-soorten in Twente is veel gepubliceerd. Wim Loode en Eddy Weeda
publiceerden in 1976 tweemaal over deze soorten in De Levende Natuur. Van Schedegeelster gaven zij een opsomming van de 15 tot dan
bekende vindplaatsen in Twente. Twee daarvan waren op het moment van de publikatie al verdwenen. Van de resterende 13 zijn er in FLORON-periode
9 teruggevonden. Gericht zoeken op de bekende vindplaatsen heeft een tamelijk compleet verspreidingsbeeld opgeleverd.
Naar de populatie bij Broekheurne van voor 1950 is goed gezocht, maar deze werd niet teruggevonden. Evenmin hebben we de soort terug van de
Brecklenkamp (bij de voormalige jeugdherberg), van een "Bos aan de Boekelerbeek", van een bosje aan de Dinkel bij Kraesgenberg (hier nog wel
aanwezig in de periode 1981 - 1988 (FWT)) en de Achterhof van Singraven (niet vrij toegankelijk).
Lenski, H. (1990). Farn- und Blütenpflanzen des Landkreises Grafschaft Bentheim.
Loode, J.W.D. & E.J. Weeda (1976). Geelsterren in Twente en het Duitse grensgebied. De Levende Natuur 79, p.222.
Loode, J.W.D. & E.J. Weeda (1976). Geelsterren in Twente en het Duitse grensgebied. De Levende Natuur 79, p.238.
Maas, F.M. (1959). Bronnen, bronbeken en bronbossen van Nederland, in het bijzonder die van de Veluwezoom.
Mennema, J. & S.J. van Ooststroom (1977). Nieuwe vondsten van zeldzame planten in Nederland, hoofdzakelijk in 1976. Gorteria 8: 228
Meyer Drees, E. (1936). De bosvegetatie van de Achterhoek en enkele aangrenzende gebieden. p.38, 39, 41.
Stolwijk, P.F. (1990). Bosgeelster (Gagea lutea) aan de Schipbeek. Nieuwsbrief FLORON-FWT 2.
Wit, R. de (1947). Brongebieden bij de Lutte. In: Smittenberg, J.C. (red.), Plantengroei in enkele Nederlandse landschappen. p.150-154.
Zwart, H. (1944). De Twentse bronnetjesbossen en die van Mook. In: Smittenberg, J.C., l.c., p.145-149.