| Nieuwsbrief FLORON-FWT 12 | februari 1995 |
J.W. Bielen
A description of the plant richness of the 'Buchenberg' (Westphalia, Germany) is given and a comparison is made with the flora of eastern Twente (prov. of Overijssel, the Netherlands).M
De Buchenberg (110 m) ligt tussen Burgsteinfurt en Borghorst in Westfalen op hemelsbreed slechts 25 km afstand van de Nederlandse grens (bij het Drielandenpunt). Deze heuvel vormt ongeveer het eindpunt van een rug die vanaf Nienberge (bij Münster) via Altenberge en de Wilmsberg bij Borghorst culmineert in de Buchenberg om even verder te eindigen. Ten westen van deze rug stroomt de Steinfurter Aa, die 10 km ten Noorden van Burgsteinfurt in de Vecht uitmondt. Ten westen van de Steinfurter Aa ligt weer een rug met o.a. de Schöppingerberg.
Op onze excursie werd een beperkt deel van een Viertelquadrant (3810.32) bezocht. Een Viertelquadrant (VQ) is een zestiende deel van een kaartblad van de Topographische Karte (1: 25.000) en meet ongeveer 7,7 km2. Er werden 236 taxa door ons aangestreept. Tijdens een tweetal voorexcursies in 1993 werd ook een tweede VQ (3810.31) aangedaan. Totaal werden in deze twee VQ's bij Burgsteinfurt door ons 300 taxa gevonden.
Gegevens over de plantengroei in de streek rond Burgsteinfurt zijn schaars in de literatuur. Het meest recent is de publikatie van Haeupler & Schönfelder (1988). Maar in deze verspreidingsatlas worden vele tientallen van de door ons gevonden soorten zelfs niet voor het gehele kaartblad vermeld! Verder geeft Runge (1972) ons enige informatie over enkele zeldzame soorten die juist hier de grens van hun verspreidingsgebied bereiken. In "Natur und Heimat" geeft deze auteur in tot op heden vier bijdragen aanvullingen op zijn boek. Ook Luiken (1957) vermeldt de Buchenberg voor een klein aantal bijzondere soorten. Vegetatiekundige beschrijvingen van het gebied heb ik niet kunnen vinden. Het lijkt er op dat voor botanici uit Westfalen deze bijna laatste kalkopduiking niet interessant genoeg meer is. Opvallend is wel dat een aantal heide-en veengebieden net langs onze oostgrens uitgebreid is beschreven.
De Buchenberg bestaat uit de zogenaamde Buchenbergschichten van Emschermergel, die ontstaan zijn in het Boven-Krijt net als de kalkstenen en
mergels in Zuid-Limburg. Deze mergels kunnen kleiïg en zandig zijn. De ondergrond in ons excursiegebied is door deze mergels dus kalkrijk. In
hoeverre deze kalkrijkdom aan de oppervlakte komt is me uit de literatuur niet duidelijk geworden. Aan de plantengroei is op veel plaatsen te
zien dat er kalk in de bodem zit.
Voor een groot deel is de Buchenberg bebost. Daar waar exotisch naaldhout werd geplant is van de kalkrijkdom weinig meer te merken. Maar grote
delen van het bos bestaan gelukkig nog uit redelijk natuurlijk ogend loofhout.
Een en ander verklaart waarom op onze excursie nogal wat plantensoorten werden gevonden die in Twente niet inheems zijn. De meest frappante is wel Ongevlekt longkruid (Pulmonaria obscura) een soort die in Nederland niet voorkomt (Weeda 1988) en volgens sommige auteurs een ondersoort is van Gevlekt longkruid (Pulmonaria officinalis). We kunnen deze soort overigens, ook in minder kalkrijke situaties, nog dichter bij de Nederlandse grens tegenkomen - b.v. Lebericht bij Bentheim, Söbbing bij Wessum en Uphoff bij Ochtrup, hier nog in 1993 (eigen waarneming).
Er stonden zes soorten die nooit in Twente werden aangetroffen. Dat zijn: Daslook (Allium ursinum), Groene bermzegge (Carex divulsa) (1), Bleek bosvogeltje (Cephalanthera damasonium), Ruig hertshooi (Hypericum hirsutum), Heggenvogelmuur (Stellaria neglecta) en Aardbeiganzerik (Potentilla sterilis). De vier eerstgenoemde geven sterk de voorkeur aan een kalkhoudende bodem. De laatste groeit ook wel op leem. Deze soort bereikt hier volgens Runge de noordwestgrens van zijn verspreidingsgebied. De groeiplaats op de Buchenberg wordt door deze auteur niet vermeld. Gezien de door hem aangegeven grenzen lijkt het erop dat wij de meest noordwestelijke groeiplaats hebben gevonden. Aardbeiganzerik groeit hier op diverse plaatsen langs een pad samen met o.a. Boszegge (Carex sylvatica), Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata), Blauwsporig bosviooltje (Viola reichenbachiana), Ruig hertshooi, Muursla (Mycelis muralis), Reuzenpaardenstaart (Equisetum telmateia) en Bosaardbei (Fragaria vesca).
Aardbeiganzerik bloeit erg vroeg in het voorjaar, soms al in de winter en is dan gemakkelijk te vinden. Wanneer zij nagenoeg is uitgebloeid begint Bosaardbei te bloeien, de rest van de vegetatie is dan ook veel verder ontwikkeld. Omdat deze twee soorten op het eerste gezicht nogal op elkaar lijken wordt Aardbeiganzerik dan nog wel eens gemist. De planten groeiden hier door elkaar heen. Een mooie gelegenheid dus om de verschillen (Weeda 1987) eens goed te bestuderen.
Heggenvogelmuur werd het meest overtuigend gezien op 23 april 1993 langs een weggetje net ten noorden van de spoorlijn Burgsteinfurt - Borghorst. De bloemen waren toen zo talrijk en opvallend groot dat wij er voor uit de auto stapten. Een leuke vondst want Runge (1972) meldt hierover: "... im Osnabrücker Raum (1958) und bei Bielefeld (1959)". De soort wordt waarschijnlijk meestal over het hoofd gezien.
In het bos vonden we op verscheidene plaatsen Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), een soort die vroeger van Denekamp is gemeld. Voorts een enkele maal Ruig klokje (Campanula trachelium) dat eenmaal aan de Buurserbeek (vóór 1950) werd gevonden. Hoog bovenop de berg in een stuk bos met een weinig ontwikkelde struiklaag werd een plek met Vogelnestje (Neottia nidus-avis) aangetroffen. Van deze soort was lang geleden een groeiplaats bij Oldenzaal bekend (Luiken 1957).
We kwamen op iets zonniger plaatsen nog een tweetal planten tegen die enigszins een voorkeur hebben voor kalkrijke gebieden en die in Twente niet echt thuis horen, nl. Wilde akelei (Aquilegia vulgaris) en Viltig kruiskruid (Senecio erucifolius). Zij zijn in Floron-tijd wel in Twente aangetroffen, maar steeds verwilderd of adventief. Voor Wilde akelei vinden we in de literatuur voor Burgsteinfurt al een melding uit 1869. De soort lijkt hier dus wel inheems te zijn.
Bij de volgende in Twente zeldzame soorten is nog steeds sprake van een voorkeur voor een basenrijke bodem. Zij zijn uitsluitend inheems in Oost-Twente (stuwwal Oldenzaal en/of Dinkeldal). Goed is hieraan te zien dat Twente plantengeografisch aansluit bij dit deel van het Münsterland. We vermelden hieronder voor deze soorten tussen haakjes het aantal uit de Floron-tijd bekende hokken in Twente. (1)
In brongebieden vonden we meermalen Reuzenpaardenstaart (1). Voorts op diverse plaatsen de volgende bosplanten: Eenbes (3) (Paris quadrifolia), Gevlekte aronskelk (3) (Arum maculatum), Boskortsteel (5) (Brachypodium sylvaticum), Heelkruid (8) (Sanicula europaea), Boszegge (13), Lievevrouwebedstro (21, maar meestal verwilderd) (Galium odoratum). In dit verband zijn ook nog interessant Gevleugeld helmkruid (Scrophularia umbrosa) en Kleine kaardenbol (Dipsacus pilosus), die we alleen op een van de voorexcursies tegenkwamen. Beide kennen we van een plaats bij de Dinkel, eerstgenoemde sinds 1994 ook van twee plaatsen in de nabijheid van de Vecht. Volgens Runge loopt de noordwestgrens van het verspreidingsgebied van Kleine kaardenbol door Westfalen en langs Burgsteinfurt. Onze vondst langs de Dinkel sluit daar misschien nog net als voorpost bij aan.
Een iets ruimere verspreiding binnen Twente (oost en zuidoost) hebben de op de Buchenberg veel voorkomende soorten als Bosgierstgras (30) (Milium effusum), Bosereprijs (17) (Veronica montana) en Boswederik (28) (Lysimachia nemorum). Dit zijn dan ook planten die goed op rijkere leemgrond floreren. In het bos in een moerassig stukje met kwel kwamen we o.a. Knikkend nagelkruid (Geum rivale), Welriekende nachtorchis (18) (Plantanthera bifolia), Bleke zegge (32) (Carex pallescens) en Moerasvaren (1) (Thelypteris palustris) tegen, die niet aan kalk gebonden zijn. Knikkend nagelkruid komt niet in Twente voor. Moerasvaren hadden we op deze plaats absoluut niet verwacht, en ook voor Welriekende nachtorchis is dit een zeldzame standplaats.
Onze wandeling liep vrijwel uitsluitend door bos en langs soms wat open bospaden, slechts af en toe werd aan de rand een akker of een poeltje bezocht. Dit leverde ons Grote ereprijs (15) (Veronica persica), Grote leeuwenklauw (2) (Aphanes arvensis), Valse voszegge (6) (Carex cuprina) en Zeegroene rus (4) (Juncus inflexus). Planten dus die weer houden van een basische en voedselrijke bodem.
Hoewel we tijdens onze excursie op de Buchenberg heel wat plantensoorten hebben gevonden, zal er zeker nog wel meer te ontdekken zijn. Tenslotte werd slechts het bosgedeelte ten oosten en ten zuiden van de top tot aan de weg Burgsteinfurt - Borghorst door ons bezocht. Uit de literatuur zijn bijvoorbeeld nog een paar bijzondere Carex-soorten bekend: Zilte zegge (Carex distans), 1880; Slanke zegge (C. strigosa) 1868; en Vingerzegge (C. digitata) 1868. De laatste is omstreeks 1990 herontdekt!.
Al met al een geslaagd buitenlands uitstapje!
1 Groene bermzegge is in 2000 in Twente aangetroffen. P.F. Stolwijk & al.
2 Stand per 31-12-1994.
Haeupler, H. & P. Schoenfelder (1988). Atlas der Farn- und Blütenpflanzen der BRD.
Luiken, R. (1957). Drie Flora's. De Levende Natuur 60: 189.
Runge, F. (1972). Die Flora Westfalens 40, 106, 180, 279, 351, 431, 462, 463.
Runge, F. (1979, 1986, 1989, 1994). Neue Beiträge zur Flora Westfalens I, II, III, IV. Natur und Heimat: 39, 46, 49, 54.
Stolwijk, P.F., O.G. Zijlstra & J.W. Bielen (2002). Bijzondere vondsten FWT-FLORON 2000. Nieuwsbrief FWT-FLORON 12
Weeda, E. & al. (1987). Nederlandse Oecologische Flora. Deel 2: 88.
Weeda, E. & al. (1988). Nederlandse Oecologische Flora. Deel 3: 126.