| Nieuwsbrief FLORON-FWT 13 | juni 1995 |
P.F. Stolwijk
Dittrichia graveolens was found as a casual three times in 1994 in the Netherlands. Since in some regions of Germany the species is already firmly established, it may become so in the Netherlands. A description of the plant is given.
Deze tekst is in iets andere vorm ook gepubliceerd in Gorteria (Stolwijk 1996).
Begin oktober 1994 kreeg ik een telefoontje van Corry Abbink. Ze had op een terrein in Aadorp (tussen Almelo en Wierden), waar ze wel vaker
opmerkelijke dingen aan het licht had gebracht, een haar onbekende composiet gevonden. Met de Flora kwam ze er niet uit: was het een
Inula-soort of een vertegenwoordiger van het geslacht Pulicaria? De plant had wat weg van Klein vlooienkruid (Pulicaria
vulgaris), maar was daarvoor veel te behaard en kleverig. Kende ik soms het verschil tussen die twee geslachten? Nou, niet uit mijn hoofd
dus.
De volgende morgen weer Corry aan de lijn. Het probleem had haar niet losgelaten, maar nu was ze er uit. Het betrof Dittrichia
graveolens (L.) W.Greuter (syn. Erigeron graveolens L.; Inula
graveolens (L.) Desf.; Cupularia graveolens (L.) Gren. & Godron).
Ik kende die soort niet, maar herinnerde me wel erover gelezen te hebben in een Duits artikel (Nowack 1993).
Volgens dat artikel komt deze mediterrane soort massaal voor (vooral in de middenberm) aan de autosnelwegen A6 Mannheim-Heilbronn, A67 bij
Darmstadt en A3 bij Würzburg. De soort was tot dan in Duitsland voornamelijk bekend van zouthoudende bodems; ze is o.a. ingeburgerd op
industriële stortterreinen in het Roergebied. Een verband met het pekelen van snelwegen ligt dan ook voor de hand, maar is niet zonder meer
aangetoond.
Een paar dagen later ging ik op een korte vakantie en het toeval voerde mij naar Worms en de A6 en A61 bij Ludwigshafen, zuidwaarts tot voorbij het Dreieck Walldorf (A5). Hoewel ik de plant nooit eerder had gezien, viel ze onmiddellijk op door haar massale voorkomen, maar steeds groeide ze onbereikbaar in de middenberm. Pas op de vijfde parkeerplaats had ik geluk: een goed uitgegroeid exemplaar, vol in bloei en vrucht, kon ik meenemen. Helaas verzuimde ik er een dia van te maken. Ook verzamelde ik aan een landweggetje bij Worms nog niet geheel verdroogd materiaal van Atriplex micrantha Led.(syn. A. heterosperma Bunge). Deze tot ± 2 m hoge Melde wordt ook veelvuldig aangetroffen op dezelfde plaatsen als Dittrichia graveolens (Nowack loc.cit.).
De beschrijving is gebaseerd op diverse Flora's (zie Literatuur) en geverifieerd aan de hand van mijn plant uit Duitsland.
Dittrichia graveolens is een 20-50 cm hoge, bossig vertakte, eenjarige plant, met (smal-)lijnvormige, zittende, spitse en meestal
gaafrandige bladen, die bovenaan min of meer stengelomvattend kunnen zijn. De hele plant is zeer sterk beklierd en kleverig; de geur is sterk
en naar mijn smaak niet onaangenaam, al spreken sommige auteurs van een kamferlucht. Bij herbariummateriaal gaat de geur goeddeels
verloren.
De hoofdjes (bij mijn exemplaar meer dan 200) zijn 6-15 mm in doorsnede, kortgesteeld, okselstandig, en vormen een lange, pluim- tot
tuilvormige bloeiwijze. Ze bevatten gele tot rossige buisbloemen en korte (tot 5 mm) lintbloemen die niet of nauwelijks boven het omwindsel
uitsteken; de omwindselbladen zijn smal, <1 mm. Het nootje is ca 2 mm lang, behaard en draagt een pappus van 4-5 mm; het is onder de
inplanting van het pappus ingesnoerd.
Met de Flora van Nederland komt men uit bij het geslacht Inula (Pulicaria-soorten hebben een dubbel pappus). Dittrichia
graveolens verschilt van de overige in de Flora genoemde soorten door de zeer sterke bekliering. Van Donderkruid (Inula
conyzae) verschilt ze bovendien o.a. in de lijnvormige, bovenaan soms iets stengelomvattende bladen en in de reeds onderaan beginnende
vertakking. De nauwelijks of niet boven het omwindsel uitstekende lintbloemen sluiten verwarring met Engelse alant (Inula
britannica) en Griekse alant (I. helenium) uit. Voor de verschillen tussen de geslachten Dittrichia W.Greuter, Inula L. en Pulicaria Gaertner verwijs ik naar de Literatuur.
Als Nederlandse naam is door Ruud van der Meijden (Rijksherbarium, Leiden) Kamferalant gekozen.(1) De naam verwijst zowel naar de (kamfer)geur, die niet door iedereen als stank zal worden ervaren, als naar het epitheton (graveolens = zwaar geurend). De Duitse naam 'Klebrige Alant' kan mijns inziens beter gereserveerd worden voor Dittrichia viscosa (L.) W. Greuter, een soort die in Engeland plaatselijk (Londen) ingeburgerd is, in tegenstelling tot Dittrichia graveolens, die daar slechts adventief schijnt voor te komen. (Stace 1991; Clement 1994).
In Aadorp groeit de plant op het open, enigszins verdichte zand van een opgespoten industrieterrein. Andere interessante soorten waren Witte
amarant (Amaranthus albus), Groene amarant (A. hybridus), Papegaaienkruid (A. retroflexus), Kleine
leeuwenbek (Chaenorrhinum minus), Zeegroene ganzenvoet (Chenopodium glaucum), Kleine varkenskers (Coronopus
didymus), Klein liefdegras (Eragrostis minor), Spiesleeuwenbek (Kickxia elatine), Kleine teunisbloem (Oenothera parviflora), Postelein (Portulaca oleracea).
Op het terrein is een groot transportbedrijf gevestigd, dat onder andere op het Roergebied rijdt, waarin een mogelijke verklaring ligt voor het
voorkomen van de soort. Uit contacten met Wout Holverda (Rijksherbarium, Leiden) is inmiddels gebleken dat Kamferalant al eerder in
Nederland is aangetroffen:
De standplaats in Dordrecht was een open vegetatie op een mengsel van slakken, grind en zandige klei en tussen plaveisel; in Millingen stond de soort op een krib.
Kamferalant heeft voornamelijk een mediterrane verspreiding, maar komt voor tot in centraal Frankrijk (Tutin 1976). Verder is zij, met duidelijke inburgeringstendenzen, gemeld uit Zwitserland (Aeschimann 1989; Binz 1986; Hess 1976-1980) en Duitsland (Senghas 1993). In België (De Langhe 1973) en Engeland (Stace 1991; Clement 1994) is zij adventief gevonden.
Het is niet onwaarschijnlijk, gezien de ervaringen met deze plant in Duitsland, dat Kamferalant in Nederland gaat inburgeren. Wellicht kan dat ook gebeuren met Atriplex micrantha, die in Duitsland immers min of meer hetzelfde biotoop inneemt.
Met dank aan Wout Holverda (RijksHerbarium, Leiden) voor de controle op de determinatie en de verschafte nadere inlichtingen.
1 De oorspronkelijke tekst in de Nieuwsbrief luidde: "Als Nederlandse naam stel ik voor Riekende alant. De naam verwijst zowel naar de geur, die niet door iedereen als stank zal worden ervaren, als naar het epitheton (graveolens = zwaar geurend)". Zoals boven vermeld heeft Ruud van der Meijden een andere, betere naam gekozen. Om geen verwarring te stichten heb ik in de Internet-versie van deze tekst verder alleen deze laatste naam gebruikt. [P.F. Stolwijk]
Aeschimann, D. & H.M. Burdet (1989). Flore de la Suisse, p. 405.
Clement, E.J. & M.C. Foster (1994). Alien Plants of the British Isles, p. 323.
Heitz, C. (1986) in: Binz, Schul- und Exkursionsflora für die Schweiz, p. 454.
Hess, H. & al. (1976-1980). Flora der Schweiz. Vol. 3: 523.
Langhe, J.-E. de & al. (1973). Nouvelle Flore de la Belgique, du Grand-Duché de Luxembourg, du Nord de la France et des Régions voisines, p. 512.
Nowack, R. (1993). Massenvorkommen von Dittrichia graveolens (L.) Greut. (Klebriger Alant) an Autobahnen in Süddeutschland. Floristische Rundbriefe 27: 38-40.
Senghas, K. & S. Seybold (1993) in: Schmeil-Fitschen, Flora von Deutschland, p. 562.
Stace, C.A. (1991). New Flora of the British Isles, p. 845.
Stolwijk, Pieter F. (1996). Kamferalant (Dittrichia graveolens (L.) W. Greuter) in Nederland. Gorteria 21: 210.
Tutin, T.G. & al. (1976). Flora Europaea. Deel 4: 136-137.
Zangheri, P. (1976). Flora Italica, p. 697.