| Nieuwsbrief FLORON-FWT 13 | juni 1995 |
O.G. Zijlstra
Begin juli 1994 brachten Pieter Stolwijk en ik een bezoek aan het SBB-reservaat Mokkelengoor bij Enter, een klein restant van de hier eertijds uitgestrekte veenmoerassen. Het is ongeveer 13 ha groot en bestaat grotendeels uit wilgenbroek met daar omheen 'grote zeggen'-vegetaties overgaand in drassig hooiland. Plaatselijk groeit er massaal Moeraskartelblad (Pedicularis palustris).
We ontdekten in een recent gemaaid deel van het hooiland enkele tientallen niet-bloeiende
Viooltjes die ons vreemd voorkwamen. De blaadjes leken enigszins op die van
Hondsviooltje (Viola canina), maar oogden smaller en langer, en hadden een meer
grasgroene tint. Enige opwinding maakte zich van ons meester, omdat het enige alternatief
Melkviooltje (Viola persicifolia) was, waarvan we wisten dat ze hier dertig
jaar geleden nog voorkwam. Een belangrijk kenmerk van Melkviooltje: de bovenaan
gevleugelde bladsteel, dat Hondsviooltje niet heeft, vonden we echter niet overtuigend
waarneembaar. Dus moesten we geduld oefenen tot dit voorjaar.
En ons geduld werd ruimschoots beloond toen we op 26 mei na enig zoeken tussen de halve meter
hoge vegetatie de bleekwitte bloempjes van Melkviooltje ontwaarden. We vonden meer dan
zestig planten, waarvan zo'n veertig bloeiend. Ze groeit over een lengte van twintig meter op
een iets hoger gelegen deel van het terrein, juist op de - door maaien beschadigde - plaatsen
waar de venige grond iets open is. Deze open plekjes heeft de soort nodig om te kunnen
kiemen. Ze gedraagt zich als een pionier en weet zich op den duur niet te handhaven tussen
forsere gewassen, maar het zaad kan tientallen jaren zijn kiemkracht behouden.
Melkviooltje is in ons land een zeer zeldzame en sterk bedreigde soort (Rode Lijst 1) van blauwgraslanden en venige grond. Momenteel resten er nog ongeveer tien groeiplaatsen. In het Mokkelengoor was ze voor het laatst gezien in 1967 (Mennema & al. 1980). Hopelijk kan door gericht beheer dit juweel behouden blijven voor de Twentse flora.
| Oppervlakte: 1 x 2m; bedekking: 100% | |||
| Viola persicifolia | 1 | Rhinanthus minor | + |
| Lysimachia vulgaris | 1 | Equisetum palustre | 1 |
| Cardamine pratensis | + | Lychnis flos-cuculi | + |
| Galium uliginosum | 1 | Thalictrum flavum | 2a |
| Carex vesicaria | 2b | Iris pseudacorus | + |
| Eleocharis palustris s.s. | + | Persicaria amphibia | + |
| Juncus effusus | 2a | Senecio aquaticus | + |
| Anthoxanthum odoratum | 2b | Festuca pratensis | 1 |
| Taraxacum celticum s.l. | r | Ranunculus flammula | + |
| Myosotis laxa subsp. cespitosa | + | Mentha arvensis | 2a |
| Ranunculus repens | r | Ranunculus flammula | + |
| Potentilla anserina | + | Calliergonella cuspidata | 2m |