| Nieuwsbrief FLORON-FWT 16 | januari 1997 |
R. Beringen & P. Bremer (provincie Overijssel)
Fibrous Tussock-sedge (Carex appropinquata) belongs to the rare and endangered species of the Netherlands. The Dutch population comprises not more than some hundreds of clumps, mostly found in valleys of rivulets in the province of Drenthe. Since the Netherlands constitute the western boundary of the area of Carex appropinquata, the species makes specific demands upon its habitat. This article mentions 5 sites in the province of Overijssel where the species was recently discovered and discusses its environmental conditions.
Paardenhaarzegge (Carex appropinquata) behoort in Nederland tot de zeldzame en bedreigde plantensoorten (UFK 4, Rode Lijst 3). De meeste Nederlandse vindplaatsen bevinden zich in de beekdalen van Noord- en Midden-Drenthe. Hier zijn op veel vindplaatsen maar een beperkt aantal pollen aanwezig (De Bruijn 1977). Mogelijk omvat de hele Nederlandse populatie maar enkele honderden pollen! Nederland bevindt zich aan de westrand van het areaal van Paardenhaarzegge en de soort stelt hier vrij specifieke eisen aan haar standplaats.
Paardenhaarzegge groeit op natte, matig voedselrijke, zwak zure tot neutrale standplaatsen. Zij is gebonden aan plaatsen met een
regelmatige toevoer van basenrijk grondwater. Voor bemesting en ontwatering is zij erg gevoelig (Weeda &
al. 1994).
Uit onderzoek in een beekdalreservaat in Noord-Drenthe bleek Paardenhaarzegge voor te komen op plaatsen die in de loop van het jaar
afwisselend onder invloed staan van basenrijk en basenarm grondwater, de zgn. poikilotrofe zone (Grootjans 1985).De
meest uitgebreide beschrijving van vegetaties met Paardenhaarzegge wordt gegeven door De Bruijn (1977). Hij
vermeldt dat de soort bij voorkeur groeit in lage, moerassige plekken in Dotterbloemhooiland (Calthion palustris). In deze
beekdalhooilanden wordt de soort vergezeld door o.a. Snavelzegge (Carex rostrata), Holpijp (Equisetum fluviatile),
Dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), Wateraardbei (Potentilla palustris) en Kleine
valeriaan (Valeriana dioica). Syntaxonomisch gezien behoren deze vegetaties deels tot Kleine zeggen-vegetaties (Carici
curtae-Agrostietum caninae caricetosum diandrae) en voor een deel tot vegetaties die verwant zijn aan Dotterbloemhooiland of
Blauwgrasland (Molinietalia). Buiten Noord-Drenthe komt Paardenhaarzegge voornamelijk voor in Elzenbroek (Carici
elongatae-Alnetum), meestal vergezeld door Stijve zegge (Carex elata) (Schaminée & al.
1995, Weeda & al. 1994, Van der Werf 1991).
In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de verspreiding van Paardenhaarzegge in Overijssel en worden de groeiplaatsen beschreven waar de soort na 1990 bij de door de provincie uitgevoerde karteringen is aangetroffen.
In Overijssel is Paardenhaarzegge een van de zeldzaamste zeggesoorten. Hattink (1985) vermeldt de soort van
voor 1950 uit drie atlasblokken: twee in de omgeving van Diepenheim en één in de buurt van Deventer. (Kaart)
Na 1950 wordt de soort vermeld uit drie atlasblokken; twee in de omgeving van Diepenheim en een ten oosten van Weerselo. Bij provinciaal
onderzoek in de zeventiger jaren werd Paardenhaarzegge op drie plaatsen in een van deze atlasblokken (linksonder coördinaten 230-465; IVON
34.23) bij Diepenheim aangetroffen.
Na 1990 zijn alle drie de atlasblokken waar Paardenhaarzegge sinds 1950 in Overijssel is waargenomen, voor het grootste deel door de
provincie gekarteerd. Bij deze provinciale karteringen worden km-hokken intensiever onderzocht dan bij een FLORON-kartering; veel aandacht
wordt besteed aan het op 50-m trajecten karteren van aandachtsoorten (ca 600 soorten).
Het atlasblok ten oosten van Weerselo (linksonder coördinaten 255-485; IVON 28.38) is voor een groot deel (alleen Oude Broek en Wiekermeden en
omgeving niet) in 1992 en in 1993 door de provincie gekarteerd. Alhoewel geschikte biotopen in de vorm van Elzenbroekbos ruimschoots
voorhanden zijn (Lemselermaten, Rossummermeden, Agelerbroek), is Paardenhaarzegge bij deze karteringen niet gevonden (Beringen 1994).
De twee atlasblokken in de omgeving van Diepenheim zijn in 1995 bij de vegetatiekartering van het "milieubeschermingsgebied Diepenheim" (met
uitzondering van de gedeelten ten noorden van het Twentekanaal en de stukken die in Gelderland liggen) onderzocht. In het meest westelijke
atlasblok (linksonder coördinaten 230-465; IVON 34.23) is de soort op drie "oude" lokaties en op één nieuwe lokatie aangetroffen. Op één van de
oude lokaties (Hogelaarsblok) was de soort op aanwijzing van H.G.A. Reimerink al in 1991 teruggevonden tijdens het opnemen van trajecten voor
het provinciaal biologisch meetnet. In het andere atlasblok bij Diepenheim (linksonder coördinaten 235-465; IVON 34.24) is
Paardenhaarzegge in 1995 niet gevonden.
Tijdens de provinciale kartering van Zuid- en Midden-Salland in 1994 werd Paardenhaarzegge aangetroffen in een Elzenbroekbos
tussen Lettele en Heeten. De soort was na 1950 niet meer in Salland waargenomen.
In de omgeving van Diepenheim is Paardenhaarzegge recent op vier lokaties aangetroffen. Een relatief grote populatie werd gevonden op
het landgoed "Huis te Diepenheim". In het bos ten noorden van de weg Lochem-Diepenheim werden op verschillende verspreide groeiplaatsen meer
dan 30 pollen aangetroffen. De meeste pollen stonden in greppels in een vochtig loofbos dat getypeerd kan worden als Elzen-Eikenbos
(Lysimachio-Quercetum).
Opvallend was dat de soort hoofdzakelijk aangetroffen werd in de noord-zuid verlopende greppels. Paardenhaarzegge werd meestal vergezeld
door Stijve zegge; op één plek groeide ook Wateraardbei in de nabijheid. In de niet noord-zuid verlopende greppels werden
voornamelijk Moeraszegge (Carex acutiformis) en Ruwe smele (Deschampsia cespitosa) aangetroffen. Vermoedelijk wordt
het bos in hoofdzaak gedraineerd door de noord-zuid verlopende greppels, zodat in deze greppels het meeste kwelwater wordt "afgevangen" en het
regenwater het snelst wordt afgevoerd. Aldus zouden juist in deze greppels de voor Paardenhaarzegge vereiste hydrologische condities
(toestroming van basenrijk grondwater en geen ophoping van "zuur" regenwater) kunnen ontstaan.
Slechts enkele pollen werden buiten greppels aangetroffen. Deze pollen groeiden aan de rand van een met Grauwe wilg (Salix
cinerea) dichtgroeiend en verruigend zeggemoerasje. In het moerasje zelf groeiden hoofdzakelijk Moeraszegge en Oeverzegge
(Carex riparia) met een enkele Blaaszegge (Carex vesicaria): Caricion gracilis / Caricion elatae. In de directe
omgeving van het moerasje werden ook soorten uit Kleine zeggen-vegetaties (Caricion nigrae) aangetroffen, zoals Moerasstruisgras
(Agrostis canina), Snavelzegge, Wateraardbei en Moerasbasterdwederik (Epilobium palustre).
Op de groeiplaats in het Hogelaarsblok groeit Paardenhaarzegge in een moerassige laagte met verder soorten als o.a. Stijve zegge,
Pluimzegge (Carex paniculata), Blaaszegge, Gele waterkers (Rorippa amphibia) en Grote boterbloem
(Ranunculus lingua): Caricion gracilis / Caricion elatae. In 1991 werden hier 13 pollen geteld.
Beide bovengenoemde lokaties liggen in de relatief laagst gelegen delen (GWT II (1) van een overwegend vlak
gebied met moerige eerdgronden ten zuiden en ten westen van de stuwwal Markelo-Stokkum. In het Hogelaarsblok is de laag moerig materiaal zelfs
zo dik dat er madeveengronden voorkomen.
Op het landgoed "Nijenhuis en Westerflier" werd Paardenhaarzegge aangetroffen in een broekbosje op beekeerdgrond in de nabijheid van de
Boven-Regge. In en langs de greppels groeide Elzenbroekbos; op de rabatten vertoonde het bos een Alno-padion-inslag. In de
greppels in het bosje werden 6 pollen aangetroffen. Paardenhaarzegge werd hier vergezeld door o.a. Moeraszegge, Stijve
zegge, Elzenzegge (Carex elongata), Bosbies (Scirpus sylvaticus) en Zwarte bes (Ribes
nigrum).
Een vierde vindplaats van Paardenhaarzegge in de omgeving van Diepenheim betrof één pol achter de beschoeiing van het Twentekanaal.
Eigenlijk zou men op zo'n plek eerder de sterk op Paardenhaarzegge gelijkende, maar in alles wat forser uitgevoerde Pluimzegge
verwachten. Aangezien de plant aan de zuidkant van het kanaal groeide en het talud hier begroeid is met struiken, stond de pol hier redelijk
beschaduwd. De vegetatie ter plekke bestond uit algemene soorten van vochtige ruigten. Het Twentekanaal doorsnijdt op deze plaats over enkele
honderden meters een keileemafzetting, die zich bevindt op de "zuidflank" van de stuwwal Markelo-Stokkum. De voor Paardenhaarzegge
geschikte milieuomstandigheden ontstaan misschien, doordat het over de slecht doorlatende keileem afstromende en zich achter de
kanaalbeschoeiing ophopende regenwater een deel van het jaar het basenrijke kanaalwater verdringt.
In Salland werd in 1994 Paardenhaarzegge aangetroffen in een vlak naast een waterschapsleiding gelegen Elzenbroekbos (leg. K. van
der Veen). De bodem was hier een broekeerdgrond met GWT II. In het bos werden vijf pollen geteld. De pollen groeiden hier niet in greppels,
maar gewoon op de bosbodem. Ook hier werd Paardenhaarzegge vergezeld door Stijve zegge. Verder werden o.a. Elzenzegge,
Kleine valeriaan, Ruwe smele en Grote brandnetel (Urtica dioica) aangetroffen.
Samenvattend kan gezegd worden dat in Overijssel, bij de door de provincie vanaf 1990 uitgevoerde vegetatiekarteringen, op vijf lokaties (5 km-hokken, 2 atlasblokken) ca 55 pollen van Paardenhaarzegge zijn aangetroffen. De zeggemoerasjes waarin de soort is aangetroffen, kunnen, gezien het voorkomen van Stijve zegge, gerekend worden tot het Caricion elatae. De bodem van deze moerasjes is rijk aan organische stof: madeveengronden of moerige eerdgronden. Op één lokatie komen ook soorten uit het Caricion nigrae voor. Verder is Paardenhaarzegge aangetroffen in Elzenbroekbos. In Elzenbroekbos op moerige eerdgrond groeit de soort buiten greppels; in Elzenbroekbos op beekeerdgrond (met op de rabatten een inslag van het Elzen-Vogelkersbos) alleen in greppels. Ook in Elzen-Eikenbos groeit de soort alleen in greppels.
In twee atlasblokken is de soort recent niet meer aangetroffen. Het is echter goed mogelijk dat de soort toch nog voorkomt. Bij de provinciale karteringen wordt gemiddeld 5 - 7 km per km-hok gelopen; dus niet iedere vierkante meter wordt afgezocht. Vroeg in het voorjaar en in natte zomers, zoals in 1993, zijn de broekbossen en moerassen waarin de soort zich op kan houden, vaak erg nat en daardoor moeilijk toegankelijk. Gericht zoeken in de geschikte biotopen en op het juiste tijdstip kan misschien nog nieuwe groeiplaatsen opleveren.
Beringen, R. (1994). Flora en vegetatie van het bodembeschermingsgebied Weerselo-Deurningen (noordelijk deel). Provincie Overijssel.
Bruijn, O. de (1977). De zeggen in het stroomgebied van de Drentsche Aa. Deel 2: Carex-flora. Doctoraalverslag Rijksuniversiteit Groningen.
Grootjans, A.P. (1985). De invloed van ingrepen in de waterhuishouding op de verspreiding van moeras- en hooilandplanten. SWNBL-rapport 1C.
Hattink, Th. A. (1985). In: Mennema, J., A.J. Quené-Boterenbrood & C.L. Plate. Atlas van de Nederlandse flora. Deel 2: 97. Zeldzame en vrij zeldzame planten.
Schaminée, J.H.J., E.J. Weeda & V. Westhoff (1995). De Vegetatie van Nederland. Deel 2. Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden.
Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1994). Nederlandse oecologische flora. Deel 5. Wilde planten en hun relaties.
Werf, S. van der (1991). Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland 5.