| Nieuwsbrief FLORON-FWT 16 | januari 1997 |
Klaas van der Veen & Piet Bremer (provincie Overijssel)
This article discusses the first report of Carex brizoides in Twente (prov. of Overijssel, the Netherlands). Its occurrence in Twente is compared with other sites of this plant in the Netherlands. It appears that this species can live in a broad spectrum of habitats.
Sinds 1984 vindt in Overijssel een vlakdekkende kartering plaats van het landelijk gebied op hoofdzakelijk flora, vegetatie en broedvogels. In het kader hiervan zijn sindsdien diverse gebieden gekarteerd. Een overzicht voor de Twentse situatie is te vinden bij Bremer 1993 en 1997.
In 1995 werden de milieubeschermingsgebieden Lankheet, Diepenheim en Twickel vlakdekkend gekarteerd. De kartering van Twickel beperkte zich
hoofdzakelijk tot het landgoed en was van belang voor zowel provincie als de beheerder. Tijdens de kartering werd nabij Delden een groeiplaats
ontdekt van Trilgraszegge (Carex brizoides), een tot dusver in Twente onbekende soort (leg. K. van der Veen).
Trilgraszegge komt hier voor in een kloon met een doorsnede van 18 m. De planten staan hier in een zone naast een wal van het
Twentekanaal (km-hok 246-474). De bodem is enigszins lemig en sterk humeus. De kloon groeit hier binnen een Elzen-Vogelkersbos
((Alno-Padion) - op assocatieniveau wellicht op te vatten als soortenarme vorm van het Vogelkers-Essenbos
(Pruno-Fraxinetum) - en wordt o.a begeleid door Robertskruid (Geranium robertianum), Zevenblad (Aegopodium
podagraria), Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea), IJle zegge (Carex remota) en Grote brandnetel
(Urtica dioica). Het gebied ondervindt waarschijnlijk een gunstig effect van lokale kwel vanuit het kanaal dat voor een permanent natte
ondergrond zorgt.
De Deldense vondst betreft de tweede vondst van deze zegge in Overijssel (1). In 1994 werd tijdens de flora- en
vegetatiekartering van Zuid- en Midden-Salland een kloon ontdekt in een verbraamd Wintereiken-Beukenbos (Fago-Quercetum) aan de
dijkbinnenzijde nabij het landgoed de Haere (leg. P. Bremer). In deze kloon van 31 m2 kwamen geen bloeiende planten voor.
Een derde in dit kader interessante vondst werd in 1992 gedaan in het Waterloopbos, aan de oostrand van de Noordoostpolder, bij Vollenhove
(leg. P. Bremer). Hier kwam een kloon voor (doorsnede > 20 m) aan de rand van een beukenbos op zgn. matig fijn preglaciaal zand. Het bostype
ontwikkelt zich hier richting Wintereiken-Beukenbos. In de buurt van de kloon komt o.a. Brede wespenorchis (Epipactis
helleborine) voor. De vondst werd bevestigd door A. Corporaal.
De drie recente vondsten zijn opmerkelijk. Weeda (1980) vermeldt de soort van drie atlasblokken van voor 1950 en van zes na 1950. Drie hebben betrekking op groeiplaatsen in Drenthe. Voorkomens van Trilgraszegge buiten Zuid-Limburg worden als neofiet beschouwd. Met de diverse nieuwe vondsten is het de vraag of dit wel juist is. Haeupler & Schönfelder (1989) vermelden het voorkomen in drie 'Messtischblätter' in het gebied aangrenzend aan Overijssel. Naar het oosten wordt de soort algemener, zodat de vestigingen ook opgevat kunnen worden als een reële uitbreiding van het areaal naar het westen.
De Nederlandse groeiplaatsen zijn nogal verschillend van aard. Weeda & al. (1995) en De Bruijn (1977) vermelden de soort o.a van de rand van een weiland langs een beekje (plus heggenrand en holle weg) in Zuid
Limburg, een broekbos en berm van een vroegere trambaan in Zuid-Holland, een verlande veensloot, de rand van een bosaanplant en bermgreppel in
Drenthe.
Trilgraszegge is in Midden-Europa een plant van lichte plekken in loofbossen op vochtige, vrij zure en basenarme, maar niet te arme
zand- en leemgrond, vaak met stagnerend water op geringe diepte. In Oost-Europa komt zij plaatselijk veel voor en kan tot sterke dominantie
komen op kapvlakten. Ellenberg (1978) vermeldt de soort van het Parelgras-Beukenbos (Melico-Fagetum),
waar zij in een bepaalde variant vegetatievormend voorkomt, en van het Zilversparbos (Querco-Abietetum).
De drie eerder genoemde vondsten sluiten dus wat habitat betreft weinig aan bij de overige groeiplaatsen in Nederland en evenmin bij het beeld
dat Ellenberg (1978) van deze soort geeft. De vondsten lijken te bevestigen dat Trilgraszegge over een breed
oecologisch spectrum voorkomt.
1 In 1996 zijn in Twente nog twee vondsten gedaan van Trilgraszegge, en in 1999 eveneens twee. (Red.)
Bremer, P. (1993). Het botanisch onderzoek in Twente. Nieuwsbrief FLORON-FWT 9.
Bremer, P. (1997). Het botanisch onderzoek in Twente. Nieuwsbrief FLORON-FWT 16.
Bruijn, O. de (1977). De zeggen in het stroomgebied van de Drentsche Aa. Deel 2: Carex-flora. Doctoraalverslag Rijksuniversiteit Groningen.
Ellenberg, H. (1978). Vegetation Mitteleuropas mit den Alpen in ökologischer Sicht. Ed. 2.
Haeupler, H. & P. Schönfelder (1989). Atlas der Farn- und Blütenpflanzen der Bundesrepublik Deutschland.
Weeda, E.J. (1980) in: Mennema, J., A.J. Quené-Boterenbrood & C.L. Plate. Atlas van de Nederlandse flora. Deel 1: 69. Uitgestorven en zeer zeldzame planten.
Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra (1994). Nederlandse oecologische Flora. Deel 5. Wilde planten en hun relaties.