Nieuwsbrief FLORON-FWT 16 januari 1997


Over een nieuwe groeiplaats van Draadgentiaan (Cicendia filiformis) in Twente

M.A.P. Horsthuis


Abstract

A new site, outside a nature reserve, of Yellow Centaury (Cicendia filiformis) in Enschede (Twente, prov. of Overijssel, The Netherlands) is discussed. This new site is situated in an area destined for industry.
Originally the land was in use as a pasture. In three years after removing the upper layer of soil (30-50 cms) a number of interesting plants appeared, some of them very rare. Three plant communities can be distinguished: Cicendietum filiformis, Ericetum tetralicis and Ornithopodo-Corynephoretum.
Finally some suggestions for an appropriate management of the site are made.



Naar aanleiding van een nieuwe groeiplaats van Draadgentiaan (Cicendia filiformis) op een industrieterrein in Enschede en de belangstelling die deze vegetatie bij zowel (Twentse) floristen als plantensociologen geniet, leek het een goede zaak de (nieuwe) vondst van deze bijzondere nanovegetatie in het rijtje van nieuwe groeiplaatsen te zetten. Kenmerkend voor de nieuwe lokaties is dat ze alle vrij recent door graafwerkzaamheden, al dan niet bewust, gecreëerd zijn en eigenlijk niet in natuurgebieden liggen. Terreinen waar in de afgelopen vijf jaar groeiplaatsen met Draadgentiaan gevonden zijn liggen verspreid over Twente: de ijsbaantjes van Haarle en Losser, een poel in het Voltherbroek, het natuurontwikkelingsgebied 't Groener bij Stroothuizen, een zandwinning bij Sibculo en het industrieterrein de Marssteden bij Enschede. Daarnaast was Draadgentiaan) al bekend in een aantal natuurgebieden, onder andere Punthuizen, Lemselermaten en Boddenbroek. Al in eerdere publicaties werd ingegaan op een aantal van deze groeiplaatsen. Eysink & De Bruijn (1994) bespreken verschillende lokaties van de Draadgentiaangemeenschap (Cicendietum filiformis). Verder wordt in Horsthuis & Schaminée (1992) de vegetatie op het ijsbaantje van Haarle besproken, terwijl Hofstra (1978) dat doet voor de ijsbaan van Losser.

In dit artikel wil ik kort ingaan op de nieuwe vindplaats op het industrieterrein de Marssteden bij Enschede, waarbij natuurlijk de nadruk ligt op de vegetatie met Draadgentiaan.


Industrieterrein de Marssteden

De nieuwe groeiplaats op het industrieterrein de Marssteden in Enschede heeft veel overeenkomsten met het door Weeda (1970) beschreven type aan de Ter Kuilestraat in Enschede, niet alleen als het om de soortenrijkdom gaat, maar ook ten aanzien van de toekomstverwachtingen van het terrein. Net als indertijd staan hier de bulldozers klaar om het gebied verder te vormen. In tegenstelling tot de lokatie aan de Ter Kuilestraat heeft de gemeente Enschede hier de intentie en mogelijkheid de groeiplaats in het ontwerp in te passen.
Vanouds was dit terrein landbouwkundig in gebruik als grasland met daarin een zandweg. Deze liep door het terrein in de richting van de Usseler Esch. De weg is vanwege zijn zandige karakter nog goed in het gebied te herkennen. Op de topografische kaart van begin van deze eeuw lag de weg temidden van een groot heidegebied.
Een aantal jaren geleden zijn op het industrieterrein wegen aangelegd en hebben zich op een aantal plaatsen al bedrijven gevestigd. Verder heeft men in een hoek van het industrieterrein een aanvang gemaakt met de aanleg van een bergingsvijver. Daarvoor werd op dat deel een (voedselrijk) grondpakket van 30 tot 50 cm verwijderd in afwachting van de verdere inrichting van het terrein. Juist op deze plekken ontwikkelde zich in de afgelopen 2-3 jaar een aardige begroeiing. In totaal werden in dit jaar in het terrein ter grootte van 100 bij 200 m vijfennegentig plantensoorten aangetroffen, waaronder een aantal die zeldzaam tot zeer zeldzaam zijn voor Nederland.
Op de afgegraven delen kunnen grofweg drie vegetatietypen worden onderscheiden: een Draadgentiaangemeenschap, een Natte heidevegetatie (Ericetum tetralicis) en de Associatie van Vogelpootje (Ornithopodo-Corynephoretum). Elk vegetatietype wil ik hieronder bespreken.

De Draadgentiaangemeenschap) wordt op deze groeiplaats gekenmerkt door een aantal zeldzame tot zeer zeldzame soorten. Allereerst staat Draadgentiaan massaal in de lage, iets vastgereden, afgeplagde delen van het terrein, waar het langst regenwater blijft staan. In juli van dit jaar stonden zeker meer dan duizend exemplaren van deze Rode-Lijstsoort 1 te bloeien. De soort staat daar samen met de kenmerkende en zeldzame soorten Dwergzegge (Carex oederi subsp. oedocarpa) en Grondster (Illecebrum verticillatum). Verder stonden de volgende voor het Cicendietum karakteristieke soorten op dezelfde lokatie: Knolrus (Juncus bulbosus), Egelboterbloem (Ranunculus flammula), Moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum) en Schildereprijs (Veronica scutellata). Vorig jaar zijn op deze lokatie twee vegetatieopnamen gemaakt (tabel).
In datzelfde jaar werd op het terrein nog een andere voor Nederland zeer zeldzame soort gevonden die goed in het rijtje van kenmerkende soorten past: Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) (Rode-Lijstsoort 2).
De gemeenschap kent een korte vegetatieperiode van drie tot vier maanden en ontwikkelt zich gewoonlijk in karrensporen, op heidepaadjes en afgeplagd terrein op vochtige, niet bemeste zand- en leemgrond. De oppervlakten zijn meestal niet groter dan hoogstens enkele tientallen vierkante meters (Lemaire & Westhoff 1993). De waterhuishouding speelt daarbij een cruciale rol. De groeiplaatsen van Draadgentiaan komen in Twente op matig voedselrijke standplaatsen voor die onder invloed van (matig) kalkrijk grondwater staan (Eysink & De Bruijn 1994). Naast het Cicendietum komt nog een nauwverwant vegetatietype voor. Het gaat hier om een Oeverkruidgemeenschap (Littorellion uniflorae) met kenmerkende soorten Oeverkruid (Littorella uniflora) en Waterpostelein (Lythrum portula). Dit vegetatietype staat net iets lager in de gradiënt, en is over het algemeen te vinden in voedselarme, meestal zwak gebufferde, stilstaande of zwak stromende wateren.

Met de soorten uit de Associatie van Dophei (Ericetum tetralicis) komt weer een vegetatie tot ontwikkeling die in het begin van deze eeuw ook veel in dit gebied moet hebben voorgekomen; een afwisseling van natte heide in de laagten en droge heide op de zandige kopjes. Dit alles werd toentertijd in stand gehouden door het landbouwsysteem, waarbij de heide een sleutelrol speelde, omdat het direct de voedselbron vormde voor de schaapskudde en indirect omdat er plaggen voor de potstal gestoken werden.
Naast Gewone dophei (Erica tetralix) en Struikhei (Calluna vulgaris) komen soorten voor die kenmerkend zijn voor het )Ericetum tetralicis: Kleine zonnedauw (Drosera intermedia) en Trekrus (Juncus squarrosus).
Verder zijn Stekelbrem (Genista anglica), Blauwe zegge (Carex panicea) en Gewone waternavel (Hydrocotyle vulgaris) kenmerkende soorten die vrij natte omstandigheden aangeven. De laatste twee soorten kan men ook aantreffen in de schrale en zeldzame blauwgraslanden.

Als derde type kan men de Vogelpootjes-associatie (Ornithopodo-Corynephoretum) onderscheiden. Deze vegetatie staat met name op en langs de voormalige zandweg. Deze kalkarme en droge zandgrond maakt dat onder andere de volgende soorten zich kunnen vestigen en handhaven: Rode schijnspurie (Spergularia rubra), Eenjarige hardbloem (Scleranthus annuus), Klein tasjeskruid (Teesdalia nudicaulis) en Klein vogelpootje (Ornithopus perpusillus). Tegenwoordig komt deze vegetatie veelal voor langs zandwegen, op speelvelden en in zandgroeven. Over het algemeen liggen deze groeiplaatsen in de volle zon. De vegetatie ontstaat veelal door betreding, berijding of graafwerkzaamheden. Als de standplaats verder met rust gelaten wordt, ontwikkelt de vegetatie zich naar een gesloten grasland. Verder is Brem (Cytisus scoparius), een soort van droge zandige plaatsen, verspreid over het terrein te vinden.


Beheer

Op grond van de boven genoemde typen kan een gradiënt beschreven worden, waarbij de Vogelpootjes-associatie het droogst staat, en door het andere bodemtype enigszins buiten de vegetatiekundige samenhang valt met de Associatie van Dophei en de Draadgentiaangemeenschap. Deze twee vegetaties komen over het algemeen vaker in elkaars nabijheid voor. Uit andere Twentse situaties is bekend dat vegetaties met Draadgentiaan vaak als een smalle gordel bij de hoger gelegen natte heide en blauwgraslanden lagen. Dit brengt met zich mee dat voor de ontwikkeling en beheer van deze vegetaties een geleidelijke gradiënt moet worden gecreëerd van hoog naar laag, zodat iedere soort de gelegenheid heeft zich te vestigen.
Verder moet een zorgvuldig maai- en plagbeheer worden opgezet, al dan niet door vrijwilligers. Jaarlijks zou het terrein gemaaid moeten worden, en af en toe zouden stukjes geplagd kunnen worden om nieuwe vestigingsplaatsen voor Draadgentiaan te creëren. Deze open plekken zouden dan op verschillende hoogten, of als stroken van hoog naar laag, in de gradiënt moeten worden gemaakt.
Overigens zou, om meer vestigingsmogelijkheden te ontwikkelen, ook het omliggende, braakliggende terrein kunnen worden afgegraven.
De voorwaarden van aanvoer van matig tot kalkrijk grondwater (voor buffering tegen eutrofiëring), een pH tussen de 6 en 7 (buffering tegen verzuring), en waterstanden van omstreeks het maaiveld tot 's zomers maximaal ca 80 cm beneden het maaiveld zijn belangrijk voor het voortbestaan van deze specialistische en daarmee zeldzame vegetatie (Eysink & De Bruijn 1994).

De vraag is hoe de vegetatie zal reageren op de te graven bergingsvijver: zal het (kalkrijke) grondwater via de bergingsvijver wegzijgen? En wat zal de invloed zijn van de periodieke aanvoer van kwalitatief ander, misschien voedselrijker, water van straatkolken en regenpijpen? Zaak is deze (kwade) invloeden verre te houden van de groeiplaats van Draadgentiaan.


Literatuur

Eysink, A.Th.W. & O. de Bruijn (1994). Kruipnieuws in de gradiënt...... de Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) floreert weer in Twente. Stratiotes 9: 62-103.

Hofstra, J. (1978). De botanische betekenis van ijsbanen, in het bijzonder die van Schijndel, Heerenveen en Losser. Natura 75: 215-218.

Horsthuis, M.A.P. & J.H.J. Schaminée (1992). Oermos (Archidium alternifolium (Hedw.) Schimp.) en Eendagsmos (Ephemerum serratum (Hedw.) Hampe) op het ijsbaantje van Haarle. Stratiotes 4: 15-25.

Lemaire, A.J. & V. Westhoff (1993). Cicendietum filiformis Allorge 1922. In: Horsthuis, M.A.P. & J.H.J. Schaminée. Verspreiding en ecologische spectra van 24 plantengemeenschappen in Nederland. IBN-rapport 21: 50-55.

Schaminée, J.H.J., A.H. Stortelder & E.J. Weeda (1995). De Vegetatie van Nederland. Deel 2. Plantengemeenschappen van wateren, moerassen en natte heiden.

Weeda, E.J. (1970). Over het Nanocyperion in Twente. Gorteria 5: 46-48.

Westhoff, V. & A.J. Den Held (1969). Plantengemeenschappen van Nederland.