| Nieuwsbrief FLORON-FWT 20 | november 1999 |
Aspecten van de Twentse flora. |
|
J.W. Bielen
The distribution in Twente (prov. of Overijssel, the Netherlands) of Yellow Pimpernel (Lysimachia nemorum), Oxlip (Primula elatior), Goldilocks Buttercup (Ranunculus auricomus), Wood Speedwell (Veronica montana), Early Dog-violet (Viola reichenbachiana), Common Dog-violet (Viola riviniana) is shown in recent distribution maps. Reference is made to earlier publications of maps of Gagea spathacea, Yellow Star-of-Bethlehem (Gagea lutea), Alternate-leaved Golden-saxifrage (Chrysosplenium alternifolium), Opposite-leaved Golden-saxifrage (Chrysosplenium oppositifolium).
Het FLORON-district Twente e.o. is gelegen in vier floradistricten: Het Subcentreuroop (S), het Gelders (G), het Drents (Dr) en het Fluviatiel (F) district (Meijden 1996). Voorts zijn er nog de Urbane gebieden van Enschede-Hengelo en Almelo, die buiten deze indeling vallen. Het Subcentreuroop district ligt globaal in het oosten en zuiden van Twente. Het Vechtdal rekent men tot het Fluviatiel district, terwijl ten noorden daarvan het Drents district begint. Overig Twente behoort tot het Gelders district. De grens tussen dit district en het Subcentreuroop heeft men ongeveer langs de lijn van Tubbergen naar Diepenheim gesitueerd. In het door de mens in de laatste eeuw in toenemende mate genivelleerde landschap worden de scheidingslijnen tussen de districten, zo ze al scherp waren, echter steeds vager. Het Fluviatiel district en zeker het Subcentreuroop worden in Twente wellicht nog het best door een aantal karakteristieke plantensoorten gekenmerkt. De twee overige districten onderscheiden zich dan door ontbreken van deze soorten. Bij het interpreteren van onze kaartjes moeten we er ook rekening mee houden dat niet heel Twente even goed is onderzocht. De grens van het vrij goed vlakdekkend onderzochte deel en het onvoldoende geĆÆnventariseerde gebied valt deels samen met de grens tussen het Gelders en het Subcentreuroop district.
Hieronder bespreken we een aantal soorten die in Twente karakteristiek zijn voor het Subcentreuroop district, waarbij we tevens weer een aantal verspreidingskaartjes tonen. Daarbij ligt het accent op het oostelijke deel van Twente dat ook het meest Subcentreuroop karakter heeft. Er zijn een aantal soorten die hier het zwaartepunt van hun Twentse verspreiding bezitten.
Van de volgende drie soorten die uitsluitend bekend zijn van Noord-Oost Twente werd door ons reeds een verspreidingskaartje gepubliceerd (Bielen 1993). Schedegeelster (Gagea spathacea) is kenmerkend voor het Drents district en het Twentse deel van het Subcentreuroop, maar komt niet in het Twentse deel van het Drents district voor. Verspreidbladig goudveil (Chrysosplenium alternifolium) komt evenals de Schedegeelster in het Drents district voor, maar niet in het Twentse deel daarvan; wel in het Twentse deel van het Subcentreuroop en bovendien in Zuid-Limburg. Paarbladig goudveil (Chrysosplenium oppositifolium) ontbreekt geheel in het Drents district en is kenmerkend voor het Subcentreuroop en Zuid-Limburg. De soort is in Twente uitsluitend in het noord-oosten te vinden.
Bosgeelster (Gagea lutea) komt vooral voor in het Dinkeldal, dat ook tot het Subcentreuroop district wordt gerekend. De soort is karakteristiek voor het noordelijk deel van Drents district. (Kaart bij Stolwijk 1995).
Donkersporig bosviooltje (Viola reichenbachiana) is kenmerkend voor het Subcentreuroop en het Zuid-Limburgs district (kaart). In Twente dus ook uitsluitend in het Subcentreuroop, met een zwaar accent op het oostelijke deel. Zij ontbreekt op de stuwwal van Ootmarsum. Op de Oldenzaalse stuwwal zijn ons enkele zeer grote populaties van honderden planten bekend. In de Atlas (Van der Meijden & al. 1989) wordt een kaartje van deze soort nog in combinatie met Bleeksporig bosviooltje (Viola riviniana) gegeven vanwege de taxonomische problemen die sommige floristen toen hadden met deze soort. In de omgeving van genoemde grote populaties vonden we in het voorjaar van 1999 ook nog V. x bavarica, de bastaard van Donkersporig en Bleeksporig bosviooltje (Rich & Jermy 1998). Mogelijk treedt deze bastaard meer op en is een deel van de taxonomische problemen op het bestaan daarvan terug te voeren.
Ter vergelijking tonen we ook het verspreidingskaartje van Bleeksporig bosviooltje (kaart). Dit is een soort van het hele Pleistoceen, maar komt in Twente toch vooral in het Subcentreurope deel voor. Dit kaartje geeft ook aardig de grens tussen Subcentreuroop en Gelders district weer.
Bosereprijs (Veronica montana) komen we in Twente hoofdzakelijk tegen op of bij de oostelijke stuwwal, maar ook hier en daar in een zone ten westen van Hengelo en Enschede (kaart). Ook zij ontbreekt op de stuwwal van Ootmarsum.
Boswederik (Lysimachia nemorum) is kenmerkend voor het Subcentreuroop en Zuid-Limburg en komen we ook vooral op de Oldenzaalse stuwwal tegen, daarnaast ook op enige plaatsen elders in Twente, bijvoorbeeld op de Ootmarsumse stuwwal en in de omgeving van het Kanaal Almelo-Nordhorn (kaart). Het hele areaal van deze Europese soort komt sterk overeen met dat van Bosereprijs.
Van Slanke sleutelbloem (Primula elatior) loopt de grens van het areaal dwars door Twente (Meusel 1978). Een soort dus die we moeten koesteren in deze streken. Helaas verdwijnen er nog steeds groeiplaatsen en die er blijven, worden armer aan planten (kaart). Daarom noteren we vindplaatsen van deze soort, die (nog) niet op de Rode Lijst staat, toch op de Rode Lijstformulieren.
Guldenboterbloem (Ranunculus auricomus) komt in Twente uitsluitend in het Subcentreuroop voor (kaart). Het verspreidingspatroon lijkt sterk op dat van Slanke sleutelbloem. Aan de rand van Ootmarsum ligt de enige ons bekende groeiplaats van deze soort op de stuwwal van Ootmarsum.
Ook van Welriekende agrimonie (Agrimonia procera) werd al een kaartje gepubliceerd (Zijlstra & Stolwijk 1998). Hoewel veel zeldzamer vertoont het verspreidingspatroon van deze soort enige gelijkenis met dat van Slanke sleutelbloem.
Bielen, J.W. (1993). Aspecten van de Twentse Flora. Goudveil (Chrysosplenium) en Geelster (Gagea). Nieuwsbrief FLORON-FWT 9.
Meijden, R. Van der (1996). Heukels' Flora van Nederland. Ed. 22: 22.
Meijden, R. van der, C.L. Plate & E.J. Weeda (1989). Atlas van de Nederlandse flora. Deel 3: 173.
Meusel, H. & al. (1978). Vergleichende Chorologie der ZentraleuropƤische flora. II Kartenteil: 336c.
Rich, T.C.G. & A.C. Jermy (1998). Plant crib: 111.
Stolwijk, P.F. (1995). Een nieuwe vindplaats van Bosgeelster (Gagea lutea). Nieuwsbrief FLORON-FWT 13.
Zijlstra, O.G. & P.F. Stolwijk (1998). Bijzondere vondsten 1997. Nieuwsbrief FLORON-FWT 19.