Nieuwsbrief FLORON-FWT 23 april 2001


Over een weidebron in het Heuilandeke

M.A.P. Horsthuis


Abstract

The results of the reconstruction of a source in the meadow "Heuilandeke", east of Oldenzaal (Prov. of Overijssel, the Netherlands) are discussed.



Inleiding

De Provincie Overijssel subsidieert onder andere natuurbouw en natuurherstelprojecten van particuliere grondeigenaren. Een deel van deze projecten is inmiddels geëvalueerd (Horsthuis & Bremer 1999). De ontwikkelingen in een aantal nieuwe projecten (met bijzondere natuurwaarden) die nadien opgestart zijn, worden evenwel ook gevolgd.

Heuilandeke nu

Een van deze projecten is de herinrichting van het Heuilandeke, een terrein dat oostelijk van Oldenzaal ligt (coördinaten 262,05-482,15). Bij deze ingreep is een oude slenk opnieuw afgegraven en is het aanliggende weiland afgeplagd, met als eerste resultaat dat zich zeldzame bronvegetaties hebben kunnen ontwikkelen.
Het Heuilandeke ligt aan de rand van de Daminkesch te midden van een mozaïek aan extensieve graslanden die voor een deel in bezit zijn van Natuurmonumenten.


Ingreep en resultaten

In het najaar van 1999 is, in samenwerking met de particuliere eigenaar, een weiland / slenk op de zuidelijke flank van de Tankenberg afgeplagd / afgegraven door Landschap Overijssel. Hierbij is ongeveer 30-50 cm van de toplaag afgegraven. Door beweiding met koeien in natte periodes was deze laag namelijk helemaal vertrapt. Bij de ingreep is in de helling van het terrein tevens een poel gegraven die door water gevoed wordt dat uit de bovenliggende (eveneens afgegraven) helling treedt. Op het moment van bezoek (in augustus 2000) stroomt het water nog af over het maaiveld. Op deze plekken staan tal van kritische plantensoorten: Moerasmuur (Stellaria uliginosa), Bronkruid s.l. (Montia fontana s.l.), Borstelbies (Isolepis setacea), Getand vlotgras (Glyceria declinata) en Beek-staartjesmos (Philonotis fontana), kenmerkende soorten voor weidebronnen: Bronkruid-associatie (Philonotido fontanae-Montieteum). In de slenk die grenst aan het naastliggende weiland, treedt water uit dat bedekt is met een bacteriefilm. Onderin deze slenk staan naast de bovengenoemde soorten ook Holpijp (Equisetum fluviatile). Op de terreingedeelten die minder onder invloed van het kwelwater staan, groeien Borstelbies (massaal), Egelboterbloem (Ranunculus flammula), Moerasdroogbloem (Gnaphalium uliginosum), Liggend hertshooi (Hypericum humifusum), Geelgroene zegge (Carex oederi subsp. oedocarpa), Gewoon hauwmos (Anthoceros agrestis) en Greppelrus (Juncus bufonius), soorten die behoren tot het Dwergbiezenverbond (Nanocyperion flavescentis).

Heuilandeke vroeger

In de tabel wordt een lijst van soorten gegeven met per soort de mate van voorkomen. Een groot deel van deze soorten kwam vòòr de ingreep niet in het terrein voor en heeft zich naar alle waarschijnlijkheid vanuit de aanwezige zaadvoorraad kunnen ontwikkelen.


Historisch beeld

Op de kaart uit 1900 was de slenk voor een groot deel begroeid met bos met oostelijk hiervan een weiland. In de jaren '20 van de vorige eeuw is in het gebied zware keileem gewonnen en in een iets zuidelijker gelegen steenfabriek verwerkt tot dakpannen. Daardoor is een laagte ontstaan, die in de loop van de tijd weer dichtgeschoven is met zand en afval: bij het opnieuw uitgraven van de slenk werden bijvoorbeeld oude pijpenkoppen gevonden.


Analyse

De vegetatie in het terrein zal zich naar verwachting verder gaan ontwikkelen naar een bloemrijk Dotterbloemhooiland (Calthion palustris), met op de natte kwelplekken een Bronkruid-vegetatie. In de natte laagte, waar het water zich verzamelt, zal een wat voedselrijkere vegetatie ontstaan, waarin Liesgras (Glyceria maxima) dominant aanwezig zal zijn. In de Atlas van de Vegetatie van Nederland (Weeda & al. 2000) wordt bij de bespreking van bronvegetaties aangegeven dat deze maar moeilijk te herstellen resp. te ontwikkelen zijn. Dat lukt alleen als de abiotische omstandigheden, dat wil zeggen het puntsgewijs uittreden van water met een bepaalde kwaliteit op een helling in een reliëfrijk gebied, nog intact zijn. De zeldzaamheid van deze abiotische omstandigheden maakt dat vegetaties behorende tot de weidebronnen zo bijzonder zijn. Het Heuilandeke vertoont een zelfde ontwikkeling als De Strengen, een succesvol natuurontwikkelingsproject in het Springendal (Eysink & al. 1999). Nadat op de Stuwwal van Ootmarsum succes geboekt is met herstel van bronsystemen in de Strengen, ligt er op de Stuwwal van Oldenzaal eveneens een prachtig voorbeeld dat navolging verdient. Natuurmonumenten heeft daarvoor al een eerste aanzet gedaan met het uitgraven van een dichtgeschoven erosiedal even noordelijk van het Heuilandeke.

Er liggen echter op de Stuwwal van Oldenzaal meer kansen die uitgebuit kunnen worden.


Literatuur

Eysink, A.Th.W., M.A.P. Horsthuis & C.G. Abbink-Meijerink (1999). Terug naar de bron - plantensoorten als indicator voor herstelbeheer van bronnen in Oost-Nederland. Stratiotes: 103-128.

Horsthuis, M.A.P. & P. Bremer (1999). Natuurbouw en -herstel op particuliere terreinen in Overijssel. Een evaluatie van projecten. Notitie milieu-inventarisatie 99.02.

Weeda, E.J., J.H.J. Schaminée & L. van Duuren (2000). Atlas van de Plantengemeenschappen in Nederland. Deel 1. Wateren, moerassen en natte heiden.