| Nieuwsbrief FLORON-FWT 23 | april 2001 |
P.F. Stolwijk
How to deal with field checklists.
Jaarlijks komen er in het FLORON-district Twente gemiddeld ruim 34.000 waarnemingen binnen, een hoeveelheid waar we trots op kunnen zijn. Het invoeren van al die gegevens doen we zelf, wat als voordeel heeft dat de gegevens snel beschikbaar zijn. Gelukkig zijn steeds meer waarnemers in staat en bereid hun eigen gegevens digitaal aan te leveren. Niettemin worden er dan centraal nog zo'n 20.000 waarnemingen door ons ingevoerd. Dat is leuk werk omdat je het bestand ziet groeien en uit de eerste hand de bijzondere waarnemingen ziet, met bovendien de mogelijkheid daarop direct te reageren als daar aanleiding toe is.
In de loop van de tijd zijn er echter bij sommige waarnemers wat slordigheden bij het invullen van de lijsten ingeslopen, wat het foutloos invoeren kan bemoeilijken. Daarom bij het begin van het nieuwe veldseizoen wat praktische tips.
Dit zijn de gegevens die voor het hele formulier gelden. Ze staan bovenaan de eerste pagina en binnenin op de rechterpagina.
Vul deze gegevens met pen in.
De verplicht in te vullen gegevens zijn: de coördinaten (het vak km-hok mag leeg blijven), het jaar, de waarnemer. Bij de coördinaten komt de x-coördinaat het eerst; dat is altijd het laagste getal.
Om het makkelijk te maken, zeker als u veel lijsten streept, kunt u volstaan met naam en waarnemernummer. Uw waarnemernummer vindt u op het adresetiket op de envelop van de Nieuwsbrief. Ook kunt u uw waarnemernummer bij de coördinator opvragen. Dat bespaart u het invullen van de verdere adresgegevens. Theoretisch is alleen een waarnemernummer voldoende. Door echter uw naam ook te vermelden is een controle op eventuele vergissingen mogelijk.
Alle andere gevraagde gegevens zijn zinvol maar niet verplicht. Het aantal soorten is bedoeld als controle op juiste invoer. Dat geldt ook voor de aankruisvakjes bij binnenzijde soorten aangestreept daarboven: kruis 'ja' aan als u op de linkerpagina binnenkant soorten hebt aangestreept; anders kruist u 'nee' aan.
U zet, graag met potlood, een (schuine) streep of kruis in het vak onmiddellijk voor de plantennaam, in de rechterkolom dus.
Dat betekent dus ook dat u eventueel door de vermelding 'a' of 'r' heen streept.
Helaas wordt dit vaak onjuist gedaan en wordt de linkerkolom gebruikt. Deze kolom is echter
uitsluitend bedoeld voor de opgave van de abundantie.
Het heeft geen zin commentaar bij een vondst te zetten aangezien dat niet met de computer kan worden verwerkt. Indien nodig krijgen we graag apart een opgave van soorten waar commentaar bij hoort. Zet dat dus niet op de streeplijst maar voeg een briefje bij. De enige manier om een vorm van commentaar te leveren is met het invullen van een '9' in de linkerkolom. Zie hierna bij Abundantie.
Abundantie betekent 'hoeveelheid' of 'mate van voorkomen'. Bij een aantal soorten is het interessant om een idee te hebben van het aantal planten dat in een km-hok is gevonden. Ik noem die soorten de 'abundantiesoorten'. Deze zijn op het formulier te herkennen aan de 'r' (Rode Lijst-soort) of de 'a' (Aandachtsoort) in de rechterkolom. Omdat het natuurlijk ondoenlijk is precies het aantal individuen van een plant te tellen, werken we met abundantieklassen. Daarbij staat een 1 voor 1 t/m 5 exemplaren, een 2 voor 6 t/m 50 exemplaren, enz. Zie de tabel aan de binnenkant van de streeplijst. De aantallen hebben betrekking op alle daadwerkelijk waargenomen planten in een km-hok. Het is dus niet de bedoeling om op grond van onderzoek in een deel van het km-hok te gaan speculeren over het totaal aantal van de soort binnen het gehele km-hok. Maar ook als u een deel van een km-hok heeft gedaan, is een abundantiegetal van waarde. Zo'n getal geeft immers een minimum-waarde aan: dat aantal is in ieder geval ook echt gezien!
Sinds enige jaren geldt de afspraak om een vondst "waar wat mee is" een '9' te geven in de kolom abundantie. Die '9' vormt uw commentaar. U drukt hiermee uit dat u het gevoel hebt dat de vondst niet geheel pluis is. Het kan dan gaan om een verwilderde plant of een geval van (vermoedelijke) aanplant en dergelijke. U kunt er natuurlijk ook voor kiezen de soort in het geheel niet te strepen. Maar het kan ook zinvol zijn, met name voor natuurreservaten, uw vermoeden over mogelijke inzaai of aanplant op deze wijze te melden.
Welke soorten staan aan de binnenkant? De meeste 'binnenkantsoorten' betreffen heel zeldzame soorten; u ziet hier dan ook veelvuldig een 'r' staan. Het is natuurlijk leuk een soort uit deze categorie te vinden.
Daarnaast staan daar ook een aantal soorten die in ondersoorten gesplitst zijn. Zo vinden we in Twente alleen Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris). Spindotter (Caltha palustris subsp. araneosa) komt hier niet voor. Als u de soort aan de voorkant aanstreept bij Dotterbloem s.l. (Caltha palustris), onder plantnummer 2338, zal ik toch Gewone dotterbloem (Caltha palustris subsp. palustris), plantnummer 0187, invoeren.
Als u niet weet welke ondersoort u gevonden heeft, dan streept u gewoon de soort aan de voorkant aan. Dat zal bijvoorbeeld vaak het geval zijn bij Grote egelskop s.l. (Sparganium erectum s.l.). In Twente komt zowel Grote egelskop s.s (Sparganium erectum subsp. erectum) als Blonde egelskop (Sparganium erectum subsp. neglectum) voor. Deze zijn alleen met rijpe vruchten van elkaar te onderscheiden, dus pas in het najaar.
Ook zijn er voor moeilijke soortgroepen zogenaamde combisoorten gemaakt. Dan staat aan de buitenkant van de lijst de combisoort, aan de binnenkant de soorten daarvan apart. Het meest voorkomende geval is dat van Basterdwederik (Epilobium spec.). Als u deze soorten niet op naam kunt brengen, omdat ze nog niet bloeien of gewoon omdat het lastige soorten zijn, kunt u ervoor kiezen ze aan de voorkant aan te strepen bij Basterdwederik s.l. (Epilobium andere spec.), plantnummer 5308. U kunt ze natuurlijk ook gewoon weglaten. Als u de plant wel op soort heeft gedetermineerd (bijvoorbeeld later in het seizoen), kunt u aan de binnenkant de betreffende soort aanstrepen. Dan heeft het geen zin om ook nog de combisoort aan te strepen.
Ditzelfde geldt voor Gespleten en Gewone hennepnetel (Galeopsis bifida en G. tetrahit), plantnummer 2222; deze soorten zijn alleen bij bloei zeker op naam te brengen. Bij niet-bloeiende planten geldt hier dus ook: of de combisoort aanstrepen of niets.
Ga er in ieder geval niet zonder meer van uit dat de gevonden plant wel de meest algemene soort zal zijn!
Het is niet de bedoeling om met deze opmerkingen mensen af te schrikken om een streeplijst in te vullen. Maar het is wellicht mogelijk om, voor u een lijst opstuurt, even bovenstaande aanwijzingen en de tabel te raadplegen. Het scheelt ons heel veel werk.
Tabel voor de gesplitste soorten