| Nieuwsbrief FLORON-FWT 23 | april 2001 |
J.H. Zwienenberg
The presence of Goldilocks Buttercup (Ranunculus auricomus) in the neighbourhood of Hengelo (prov. of Overijssel, the Netherlands) is discussed.
In het kader van het FLORON-onderzoek heb ik verschillende km-hokken geïnventariseerd.
Hierbij hebben een aantal planten mijn speciale interesse gekregen. Een hiervan is Gulden
boterbloem (Ranunculus auricomus). Her en der kende ik een aantal vindplaatsen. In
het voorjaar van 2000 heb ik geprobeerd zoveel mogelijk vindplaatsen in kaart te brengen. Dit
moest gebeuren in april en de eerste week van mei, omdat daarna de plant verdwijnt tussen het
hoge gras.
Graag zou ik willen weten of er nog meer vindplaatsen in Hengelo zijn. Daarom wat meer
informatie over deze soort.
De hoogte van de plant is 15 - 50 cm. Bloeitijd april-mei. De onderste bladeren, half-cirkelrond, vergelen al vroeg. De kroonbladen zijn vaak slechts ten dele ontwikkeld (afbeelding).
Het stuifmeel van Gulden boterbloem is doorgaans slecht ontwikkeld. Er vindt, met hulp van insecten, wel bestuiving plaats. Deze bestuiving dient alleen voor de vorming van reservevoedsel in het zaad. In de regel worden er geen erfelijke eigenschappen overgedragen (apomixis). De rijpe vruchten zijn licht goudkleurig en behaard (auricomus = goudgekuifd). Zo is een verzameling van honderden lokale vormen (microsoorten; klonen) ontstaan. In Nederland houdt men het voorlopig maar op één soort.
Op diverse plaatsen heb ik planten met vruchtjes gevonden. Afhankelijk van het tijdstip van maaien hebben ze wel of niet voldoende tijd gehad om te rijpen. De literatuur levert geen eenduidige beschrijving over de verspreidingswijze. Verspreiding door de wind omdat de zaden luchtholtes hebben en / of door mieren. De buitenzijde van het afgeplatte deelvruchtje schijnt door mieren te worden gegeten. Deze mogelijkheid lijkt mij weinig waarschijnlijk omdat de meeste mieren leven op relatief droge plaatsen. De meest waarschijnlijke verspreidingswijze lijkt mij door de mens met zijn maai- en hooiapparatuur waarmee ook onbedoeld zaden worden verspreid. Bonn & Potschlod (1998) noemen hiervan vele voorbeelden, waaronder ook Gulden boterbloem.
Volgens de flora is de groeiplaats: op vochtige tot natte, voedselrijke, vaak kalkhoudende grond in loofbossen en uiterwaarden, aan dijken en slootkanten. Zij is in Nederland tamelijk zeldzaam. In Twente komt Gulden boterbloem volgens Weeda nog vrij veel voor (kaart). De meeste vindplaatsen zijn in bossen. Buiten het bos handhaaft de plant zich in het oosten en zuiden hier en daar aan slootkanten en in vochtige bermen.
In 2000 heb ik Gulden boterbloem in 9 km-hokken gevonden, met naar schatting 600 exemplaren op totaal 20 vindplaatsen. Een grote concentratie staat in km-hok 250-477 (Achterhoekseweg). De vindplaatsen zijn met name in vochtige bermen gelegen maar ook aan slootkanten. Op het kaartje zijn de km-hokken met vindplaatsen ingetekend.
Bonn & Potschlod (1998). Ausbreitungsbiologie der Pflanzen Mitteleuropas: Grundlagen und kulturhistorische Aspekte.