Nieuwsbrief FLORON-FWT 24 november 2001


Het Herbarium van M.J. Blijdenstein als plantensociologische bron, en de vroegere groeiplaats van zoutplanten bij Weerselo

E.J. Weeda


Abstract

The significance of the Blijdenstein Herbarium as source of historic data on plant sociology, and the former site of halophilous plants near Weerselo (Twente, prov. of Overijssel, the Netherlands).

Begin dit jaar bezocht ik het Natuurmuseum te Enschede om in het Herbarium-Blijdenstein op zoek te gaan naar etiketgegevens die bruikbaar zouden zijn voor de Atlas van Plantengemeenschappen in Nederland. Zoals veel Twentse floristen wel zullen weten, heeft M.J. (Julius) Blijdenstein in zijn korte leven (1886-1909) zeer veel floristisch inventarisatiewerk verricht. Dit gold vooral Twente, waar hij in de jaren 1901-1906 zo'n 400 IVON-kwartierhokjes doorzocht. De oogst van dit speurwerk werd door D. Lako opgenomen in zijn Kartografische Atlas van Overijssel. Maar ook her en der in andere delen van Nederland was Blijdenstein actief, samen met andere floristen, zowel leeftijdgenoten als ouderen. Zo ondernam hij in augustus 1905 met F.K. Iterson en L. Rieter een tocht naar Harderwijk, waar de Zuiderzeekust werd afgestroopt met een behoorlijke oogst, onder meer aan zoutplanten. Begin juni 1906 nam hij deel aan een Unio in Midden-Limburg, waar hij samen met J.W.C. Goethart een reeks hokjes in het Maasdal in en om Roermond en Linne inventariseerde. Over de toen verzamelde maar niet herkende Pijlscheefkelk (Arabis hirsuta subsp. sagittata) is inmiddels een stukje verschenen in het Natuurhistorisch Maandblad (Weeda 2001).

Floristisch belangwekkend zijn aantekeningen over soorten die destijds schaars waren en nu algemeen voorkomen. Zo verzamelde Blijdenstein Watertorkruid (Oenanthe aquatica) bij Driene (destijds gem. Lonneker) met de aantekening: "nabij Enschedé niet voorkomend" en Fluitenkruid (Anthriscus sylvestris) op de spoordijk bij het toenmalige station Enschede-Noord met de notitie: "eenige groeipl. bij Enschedé, maar veel".


Plantensociologische oogst

Sommige etiketgegevens in het herbarium van Blijdenstein zijn plantensociologisch te interpreteren. Zo kon ik er oude meldingen van de Associatie van Groot blaasjeskruid (Utricularietum vulgaris) voor Diepenheim en van de Associatie van Wortelloos kroos en Bultkroos (Wolffio-Lemnetum gibbae) voor Goor uit destilleren. Het eerste was af te lezen van het etiket bij Groot blaasjeskruid (Utricularia vulgaris), door Blijdenstein en Lako in 1905 bij massa's aangetroffen in een sloot tegenover Huize Diepenheim (in N7.23.23, d.w.z. km-hok 234-468). Gezien hun vruchten aan kromme stelen waren de planten onmiskenbaar juist op naam gebracht. In 1904 verzamelden Blijdenstein en F.K. van Iterson in een plas bij Station Goor (N7.14.31/32 = km-hok 236-471) zowel Wortelloos kroos (Wolffia arrhiza) als Bultkroos (Lemna gibba), de naamgevende soorten van het Wolffio-Lemnetum gibbae. Twee hardwatergemeenschappen in Zuidwest-Twente, in een tijd dat hard water hier - anders dan nu - een tamelijk schaars artikel moet zijn geweest.

In het Molenven bij Saasveld (M7.46.44 = km-hok 250-482) gedijde anno 1905 niet alleen Waterlobelia (Lobelia dortmanna) maar ook Knopige duizendknoop (Persicaria lapathifolia subsp. lapathifolia) en zelfs Goudzuring (Rumex maritimus). De laatste, die in Noord-Brabant nog wel eens in vennen te voorschijn komt, zou je in Twente toch veeleer in geürbaniseerde context verwachten. Hoe dan ook: een oude waarneming van de Associatie van Goudzuring en Moerasandijvie (Rumicetum maritimi chenopodietosum).

In 1904 exploreerde Blijdenstein rijke loofbossen in Oost-Twente. In het bos van Morsman of Morsink bij De Lutte (M8.41.44 = km-hok 265-483) vond hij Boszegge (Carex sylvatica) in gezelschap van Heelkruid (Sanicula europaea),Slanke sleutelbloem (Primula elatior) en Gulden boterbloem (Ranunculus auricomus). Iets dergelijks is nu nog wat verder noordwaarts te vinden aan de oostelijke voet van de Austiberg, maar zonder Slanke sleutelbloem. In de onvolprezen Haverkamp (N7.28.22/N8.21.11 = km-hok 260-469) trof Blijdenstein eveneensHeelkruid en Slanke sleutelbloem, verder Grote keverorchis (Listera ovata) en Bleke zegge (Carex pallescens). De aan de zuidkant daarbij aansluitende Huttenpeterskamp bij Reef (N7.28.24/N8.21.13, eveneens km-hok 260-469) herbergde ook weer Heelkruid en verder Boskortsteel (Brachypodium sylvaticum) en Reuzenzwenkgras (Festuca gigantea). Nog steeds is de Haverkamp, ondanks zijn ongelukkige ligging vlakbij Enschede's rond- en uitvalswegennet, een van de mooiste en beste loofbossen die Nederland rijk is - niet half zo befaamd als Achter de Voort, maar zeker niet minder van kwaliteit. Afdoende bescherming is dringend gewenst! Vlak over de Duitse grens ontdekte Blijdenstein in het bos achter het klooster Glane Ruig klokje (Campanula trachelium). Dit behoort tot een groepje bosplanten die net niet de Twentse grens overschrijden (voor zover daarin door natuurbetweterij oftewel floravervalsing inmiddels geen verandering in gekomen is). Tot deze categorie behoren of behoorden ook Daslook (Allium ursinum), Bosbingelkruid (Mercurialis perennis), Eenbloemig parelgras (Melica uniflora), Gevlekte aronskelk (Arum maculatum) en Ongevlekt longkruid (Pulmonaria obscura) (Luiken 1957; Loode & Luiken 1965), maar geen van deze soorten naderde de grens zo dicht als Ruig klokje. Als metgezellen in het bos bij Glane noemt Blijdenstein Zwartblauwe rapunzel (Phyteuma spicatum subsp. nigrum), Boszegge, Heelkruid en Bosgierstgras (Milium effusum).

Volgens de typologie van Van der Werf (1991) moeten de genoemde bossen zonder reserve als goede voorbeelden van rijk Eiken-Haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum) worden beschouwd. Met de indeling van Stortelder, Schaminée & Hermy (1999) zijn de rijke Twentse loofbossen - waar meer dan één plantensocioloog zijn tanden op stuk gebeten heeft - nog steeds niet goed te plaatsen: ze vallen halverwege tussen Eiken-Haagbeukenbos, Vogelkers-Essenbos (Pruno-Fraxinetum) en Goudveil-Essenbos (Carici remotae-Fraxinetum).

Op nostalgische gronden kan ik het niet laten nog een schraalland ter sprake te brengen en wel een terrein bij Walmbekke (N8.11.11 = km-hok 261-473). Op heidegrond groeiden hierTandjesgras (Danthonia decumbens), Klokjesgentiaan (Gentiana pneumonanthe), op dorre hei Borstelgras (Nardus stricta), op hoog gelegen plekken Valkruid (Arnica montana), op vochtige hei Heidekartelblad (Pedicularis sylvatica), Pilzegge (Carex pilulifera), Sterzegge (Carex echinata), Zompzegge (Carex curta),Blonde zegge (Carex hostiana) en Dwergvlas (Radiola linoides), op grazige plekken Bevertjes (Briza media) en Moerasrolklaver (Lotus pedunculatus) en in moerassig milieu Moeraskartelblad (Pedicularis palustris) en Klein glidkruid (Scutellaria minor). Plantensociologisch gaat het hier om een gradiënt van heischraal grasland (Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras, (Gentiano pneumonanthes-Nardetum) naar kleine-zeggenmoeras (Associatie van Zompzegge en Moerasstruisgras, Carici curtae-Agrostietum caninae). Tussen Enschede en Losser kwam enkele decennia geleden nog een restant van een dergelijke begroeiing voor in het Kremersveen tot deze plek in alle stilte omgeploegd en vervolgens in een maïsveld herschapen werd.

De aanwezigheid van Blonde zegge bij het Walmbekke roept de vraag op of in dit terrein mogelijk een gordel als Blauwgrasland (Cirsio dissecti-Molinietum) te onderscheiden was. Een lintvormige blauwgraslandgordel tussen zeggemoeras en heischraal grasland komt bijvoorbeeld voor in het Stelkampsveld bij Barchem. Bij Walmbekke ontbrak echter de meest kenmerkende soort van blauwgrasland: Spaanse ruiter (Cirsium dissectum), die destijds nog bezig was zijn areaal oostwaarts uit te breiden. Blijdenstein trof hem alleen aan op heidegronden tussen de stad en het Aamsveen (N8.21.11 = km-hok 261-469, dus bij de Kersdijk), en schreef erbij op het etiket: "Eerste vindplaats bij Enschedé". In dit terrein vond hij ook Grote muggenorchis (Gymnadenia conopsea) enWelriekende nachtorchis (Platanthera bifolia), die de kwalificatie orchideeënrijk blauwgrasland rechtvaardigen, en langs kreupelbosjes de leem-minnende zoomplant Fraai hertshooi (Hypericum pulchrum).

Tot zover enige voorbeelden van plantensociologische reconstructie van de vegetatie in enige terreinen, verkregen door 'random' speurwerk in Herbarium-Blijdenstein. Daarnaast heb ik ook gegevens over bijzondere plekken gevonden door meer gericht zoeken. Dit betrof met name het terrein bij Weerselo waar aan het begin van de 20e eeuw een paar zoutplanten gevonden zijn.


Weerselose zoutplanten en hun companen

Bij een viertal soorten die vrijwel of helemaal aan zilte standplaatsen gebonden zijn, werd in een aantal edities van de Flora van Nederland vermeld dat ze vroeger bij Weerselo voorkwamen (in twee gevallen met de toevoeging dat het ook daar om zilt terrein ging). Het gaat om Engels gras (Armeria maritima), Melkkruid (Glaux maritima), Zulte (Aster tripolium) enZilte rus (Juncus gerardi) (Van Ooststroom 1977). Laatstgenoemde melding berust op een herbariumexemplaar van H.S.C. Huijsman uit 1927 zonder nauwkeuriger vindplaatsgegevens, aanvankelijk gedetermineerd als Wijdbloeiende rus (Juncus tenageia) en pas veel later door Th.J. Reichgelt correct op naam gebracht tijdens de revisie voor de Flora Neerlandica (Reichgelt 1964).

In het geval van Engels gras is waarschijnlijk een vergissing in het spel. Het enige gegeven dat als bron kan hebben gediend, is een vermelding van deze soort door Varossieau in het Leidse IVON-archief voor Weerselo zonder datum of nadere vindplaatsomschrijving. Het is aannemelijker dat deze opgave betrekking heeft op het Kanaal Almelo-Nordhorn, dat herhaaldelijk als groeiplaats van Armeria genoemd wordt, dan op het hierna te bespreken zoutplantenterreintje. Merkwaardig genoeg noemt zowel de Flora van Nederland (Van Ooststroom 1977) als de Flora Neerlandica (Van Ooststroom & Reichgelt 1961) beide locaties naast elkaar. Het vroegere voorkomen van Engels gras langs het Kanaal Almelo-Nordhorn is trouwens ook enigszins in nevelen gehuld: omstreeks 1967 vroeg wijlen S.J. van Ooststroom mij er wat van te verzamelen, omdat geen enkel Nederlands herbarium er materiaal van bevatte (in tegenstelling tot wat Westhoff & al. 1973, p. 207 beweren). Hij had de plant er zelf omstreeks 1935 gezien, en de plek schijnt ook in NJN-kringen bekend te zijn geweest (Bakker & Landman 1966). Zelf heb sinds 1965 ontelbare malen langs het kanaal gebotaniseerd, maar nimmer was het mij vergund hier nog Engels gras te mogen aanschouwen. Wie weet er meer van?

Blijven over Melkkruid en Zulte. Dit tweetal is verzameld door M.J. Blijdenstein en J.A. Vrielink op 22 september 1905 op broekgrond in de Noordmors bij Noordijk, gem. Weerselo. Behalve in Enschede bevinden zich ook in Leiden exemplaren (via het herbarium van D. Lako). Bij beide soorten staan niet minder dan vier IVON-kwartierhokjes aangegeven: M7.47.11, 12, 13 en 14.

De groeiplaats zal zich dus op en om het ontmoetingspunt van deze hokjes hebben bevonden (Afb.1), maar moet in elk geval een zekere uitgestrektheid hebben gehad.

Noordmors vroeger

Afb.1

Volgens de huidige topografische kaart (Afb.2) valt het terrein in km-hok 251-485.

Noordmors nu

Afb.2

Van Melkkruid groeiden er massa's, en bij Zulte lezen we: "afgemaaid, geen groote te zien, maar veel" (het is niet duidelijk of hier iets weggevallen is). Het woord 'afgemaaid' doet aan hooiland denken. Op corresponderende herbariumvellen in de Leidse collectie kunnen we bij Melkkruid nog lezen: "weinig fructificerend" en bij Zulte: "massa's, maar steeds klein". Blijdenstein verzamelde in de Noordmors verder Uitstaande melde (Atriplex patula) en Rode ganzenvoet (Chenopodium rubrum), die beide in M7.47.11 en 12 voorkwamen; bij de laatste wordt vermeld: "in de buurt Glaux en Aster". Hertshoornweegbree (Plantago coronopus) tenslotte, ook in zijn herbarium aanwezig, werd alleen in M7.47.12 aangetroffen; bij deze soort lezen we: "in de buurt Glaux en Aster; deze echter veel meer". Ook Plantago en de twee Chenopodiaceae zijn tamelijk zouttolerant. Het meer zoutmijdende Knikkend tandzaad (Bidens cernua) werd, in de vorm met straalbloemen, in de Noordmors juist gevonden in M7.47.13 en 14, langs sloten. Raadplegen we vervolgens de streeplijsten van Blijdenstein van de vier kwartierhokjes, dan zijn in alle vier Waterpunge (Samolus valerandi) en Fraai duizendguldenkruid (Centaurium pulchellum) genoteerd: twee planten die de voorkeur lijken te geven aan licht brak boven puur zoet milieu, en die binnen het pleistocene deel van het land aan Twente de voorkeur geven. Niet aangetroffen werd de eveneens 'brakminnende' Aardbeiklaver (Trifolium fragiferum), die aan het begin van de 20e eeuw wel op enige andere plaatsen in Twente is aangetroffen (onder meer door Blijdenstein langs de Buurserbeek). Wel stonden er planten van schraalland, matig zacht water en eenjarige dwergbegroeiingen. Voor de huidige Twentse plantenzoeker is het moeilijk voor te stellen dat anno 1905 Vetblad (Pinguicula vulgaris), Parnassia (Parnassia palustris), Klokjesgentiaan, Dwergbloem (Anagallis minima) en Oeverkruid (Littorella uniflora) in de Noordmors in vier hokjes voorkwamen! Driemaal werden Geelhartje (Linum catharticum) en Waterpostelein (Lythrum portula) genoteerd, tweemaal Draadgentiaan (Cicendia filiformis), Dwergvlas en Borstelgras, eenmaal Moeraszoutgras (Triglochin palustris; M7.47.12) en Spits havikskruid (Hieracium lactucella; M7.47.13). Hokje M7.47.14 herbergde Stijve moerasweegbree (Echinodorus ranunculoides), Ondergedoken moerasscherm (Apium inundatum) en Waterlepeltje (Ludwigia palustris). Het moet dus wel een soort mengsel van Boddenbroek, Fayersheide en Oosterveld geweest zijn - maar dan met een vleugje kwelder als toegift!

Van Melkkruid en Zulte is door latere floristen bij Weerselo nooit meer iets vernomen. Hoe kunnen die zoutplanten hier ooit geaard hebben? Langs de Noordmors loopt de Strootmansbeek, en we kunnen vermoeden dat die met zoutafzettingen in de ondergrond in contact stond. In Noord-Lotharingen (Pays du Sel) lopen beekjes die door Heemst (Althaea officinalis) worden omzoomd, terwijl in de beekdalen laagten (salinen) voorkomen waar de begroeiing op sommige plekken volledig uit zoutplanten bestaat. Hier en daar werd zelfs Zeekraal (Salicornia europaea) voor consumptie geoogst. Het zout bereikt 's zomers, als de verdamping het grootst is, met capillair opstijgend bodemvocht de oppervlakte, waar het plaatselijk wittige korsten vormt. Op de Twentse voormalige zoutplek zou ontwatering van de omgeving er de oorzaak van kunnen zijn dat het grondwater niet meer de oppervlakte kan bereiken.

Plantensociologisch zijn Blijdensteins herbariumgegevens van de Noordmors niet zo gemakkelijk van een etiket te voorzien. We zouden kunnen spreken van een Rompgemeenschap van Melkkruid (Glaux maritima) van de Zeeaster-klasse (Asteretea tripolii) en de zilte vorm van de Associatie van Ganzenvoeten en Beklierde duizendknoop (Chenopodietum rubri spergularietosum). Met de streeplijstgegevens gaat het wat beter, al missen we hier de noodzakelijke aanwijzingen over het samen voorkomen van soorten. De in aanmerking komende schraalland-, zachtwater- en dwergbegroeiingen zijn de Associatie van Klokjesgentiaan en Borstelgras (Gentiano pneumonanthes-Nardetum), de Associatie van Waterpunge en Oeverkruid (Samolo-Littorelletum) en de Draadgentiaan-associatie (Cicendietum filiformis).

Is een Nieuwsbrief wel de plek om met zulk oud nieuws te komen? Dat hangt ervan af of het verleden een toekomst krijgt. Anders gezegd: ik beveel de Noordmors hartelijk aan in de belangstelling van hydrologen, floristen, natuurherstellers en -ontwikkelaars. Aan de hydrologen de vraag, hoe het zout (zonder hetwelk het abundant voorkomen van Melkkruid en Zulte moeilijk voorstelbaar is) de oppervlakte heeft kunnen bereiken, en of er enige mogelijkheid tot herstel van de oude situatie is. Aan de floristen zij natuurlijk het betere speurwerk opgedragen! Daarvoor zouden de mogelijkheden wel zeer verbeterd worden als natuurherstel c.q. natuurontwikkeling ter hand genomen wordt: zonder graafwerk zal niet gauw hervestiging van bijzondere soorten plaatsvinden.


Literatuur

Bakker, P. & J. Landman (1966). Huidige vegetatie van het Agelerbroek. Amoeba 42 (3): 28-39.

Loode, J.W.D. & R.A.B. Luiken (1965). De Twentse flora in vergelijking met die van het Duitse grensgebied. Twente-Natuurhistorisch 5: enige Twentse landschappen en hun flora (Wetenschappelijke Mededelingen KNNV 56): 23-34.

Luiken, R. (1957). Drie flora's. De Levende Natuur 60: 189-202.

Ooststroom, S.J. van (1977). Heukels - Van Ooststroom Flora van Nederland, ed. 19. Groningen, 925 pp.

Ooststroom, S.J. van & Th.J. Reichgelt (1961). Plumbaginaceae. Flora Neerlandica IV (1). Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging, Amsterdam, pp. 1-6.

Reichgelt, Th.J. (1964). Juncaceae. Flora Neerlandica I (6). Koninklijke Nederlandse Botanische Vereniging, Amsterdam, pp. 164-209.

Stortelder, A.H.F., J.H.J. Schaminée & M. Hermy (1999). Querco-Fagetea, in: A.H.F. Stortelder, J.H.J. Schaminée & P.W.F.M. Hommel (red.), De vegetatie van Nederland 5. Plantengemeenschappen van ruigten, struwelen en bossen. Uppsala/Leiden, pp. 287-331.

Weeda, E.J. (2001). De Pijlscheefkelk (Arabis hirsuta subsp. sagittata) al in 1900 in Roermond aangetroffen. Natuurhistorisch Maandblad 90: 161-162.

Werf, S. van der (1991). Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland 5. Wageningen, 375 pp.

Westhoff, V., P.A. Bakker, C.G. van Leeuwen, E.E. van der Voo & I.S. Zonneveld (1973). Wilde planten, flora en vegetatie in onze natuurgebieden 3. Amsterdam, 359 pp.